Gravitationele rood-/blauwverschuiving
Leid de formule af voor gravitationele rood-/blauwverschuiving.
Om te beginnen pak ik de
Schwarzschild-oplossing
erbij, deze beschrijft de kromming van de
ruimtetijd
rondom een centrale massa:
Er bevindt zich een waarnemer W
1 ‘ergens ver weg’ en die waarnemer is de ‘beheerder’ van deze
coördinaten.
Een andere waarnemer, W
2, bevindt zich in de buurt van de centrale massa en is stationair, dus
hij beweegt niet in deze of gene richting (een of ander ruimtevaartuig houdt die waarnemer op zijn plaats,
dus dr = 0, dφ = 0 en dθ = 0).
Vergelijking (1) vereenvoudigt om die reden tot:
Voor waarnemer W
2 verstrijkt er alleen maar tijd, zijn
eigentijd:
Het
interval
is
invariant,
voor beide waarnemers gelijk, dus ik kan de vergelijkingen (2) en (3) aan elkaar gelijk stellen:
W2 gaat lichtflitsen uitzenden richting W1.
Voor de energie van een lichtstraal, een foton, geldt de wet van Planck:
De frequentie is de reciproke van de periodetijd:
Hiermee wordt vergelijking (5):
Ik ga indices aanbrengen in vergelijking (7) voor beide waarnemers:
Vervolgens ga ik de vergelijkingen (8) op elkaar delen:
En voor de verhouding van deze periodetijden geldt vergelijking (4), dus die ga ik invullen in vergelijking (9):
Ik breng even de
Schwarzschild-straal
in herinnering, de
horizon
van een
zwart gat:
Hiermee wordt vergelijking (10):
Indien W
2 zich ook ver van de centrale massa bevindt, bijvoorbeeld vlakbij W
1,
dan gaat r naar oneindig en wordt vergelijking (12):
In dat geval komt de lichtstraal aan bij W
1 met dezelfde energie, dus met dezelfde frequentie.
Indien de centrale massa een
zwart gat
is en W
2 waagt zich steeds dichter bij de
horizon
dan nadert vergelijking (12) naar:
In dat geval ontvangt W
1 een foton met steeds minder energie en de frequentie wordt steeds lager.
En voor zichtbaar licht geldt dat een lagere frequentie betekent dat de kleur van het licht opschuift
richting het rood:
roodverschuiving (om precies te zijn
gravitationele roodverschuiving).
Indien W
2 de
horizon
bereikt dan ontvangt W
1 helemaal niets meer.

De kleuren van de regenboog nemen van boven
naar onder toe in frequentie en energie
Indien W
1 de zender van de lichtflitsen is en W
2 de ontvanger dan gebeurt alles
precies omgekeerd, aan de linkerkant van vergelijking (12) wisselen W
1 en W
2
dan van plaats:
Indien W
2 zich ver van de centrale massa bevindt, bijvoorbeeld vlakbij W
1,
dan gaat r naar oneindig en komt de lichtstraal aan bij W
2 met dezelfde energie,
dus met dezelfde frequentie.
Wanneer W
2 zich steeds dichter bij de
horizon
waagt ontvangt hij een foton met steeds meer energie en de frequentie wordt steeds hoger.
En voor zichtbaar licht geldt dat een hogere frequentie betekent dat de kleur van het licht opschuift
richting het violet:
blauwverschuiving (om precies te zijn
gravitationele blauwverschuiving).
Waarom heet dit geen violetverschuiving?
Ik heb geen flauw idee.
En waarom de toevoeging “gravitationeel”?
Omdat rood-/blauwverschuiving ook optreedt als gevolg van het
Doppler-effect,
iets dat wij kennen uit ons dagelijks leven wanneer er bijvoorbeeld een auto met sirene langskomt
(bij nadering gaat de frequentie van de sirene omhoog, bij verwijdering weer omlaag).
Maar dit
Doppler-effect
staat helemaal los van gravitatie en gaat alleen om relatieve snelheid.
Tot slot: vaak heeft men het niet over roodverschuiving, maar over de
roodverschuivingsfactor z:

De grafiek van z (r), R
s = 1

De grafiek van z (r), R
s = 1
En om mij onbekende redenen wordt vergelijking (16) vaak geschreven als:
Soms spreekt men simpelweg over ‘roodverschuiving’ plus een getal, en dan mag je zelf raden of ze z bedoelen
of z + 1.