Klassieke periheliumprecessie

Trefwoorden/keywords: periheliumprecessie Mercurius/perihelion precession Mercury, klassiek/classical, niet-relativistisch/non-relativistic, volledige berekening/full calculation
Bereken de periheliumprecessie van de planeet Mercurius als gevolg van de zwaartekrachtinvloeden van de overige planeten.
Mercurius
Mercurius
(Credits: NASA)
Periheliumprecessie
Figuur 1: periheliumprecessie

Dit vraagstuk gaat over de wonderschone dans der planeten. Van alle wiskundige problemen is dit ongetwijfeld één van de allermooiste en het laat op vele momenten de schoonheid van de wiskunde zien. Het perihelium, het punt van dichtste nadering tot de Zon, van de planeet Mercurius verschuift, bij iedere omloop van de planeet om de Zon, een klein beetje als gevolg van de zwaartekracht die de overige planeten op Mercurius uitoefenen. Dit verschuiven van het perihelium noemen we periheliumprecessie.

Gauss
Gauss
Hill
Hill
Doolittle
Doolittle

Voor de berekeningsmethode volg ik de methode van Gauss zoals hij die in 1818 uitgedacht heeft. Deze methode is later, voor praktisch gebruik (rekenlinialen en logaritmetabellen), in enkele stappen verder uitgewerkt door George Hill tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw en tenslotte toegepast door Eric Doolittle in 1912. Doolittle heeft de volledige berekening uitgevoerd van de verstoringen die de planeten Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus (de dwergplaneet Pluto was toen nog niet ontdekt) uitoefenen op de baan van Mercurius. Dit gebeurde met pen en papier, want computers bestonden er toen nog niet. Helaas vermeldt het verhaal niet hoeveel mensen er daadwerkelijk bezig geweest zijn, en hoe lang, om dit intense monnikenwerk uit te voeren.

Karel de Vlieger

Omdat dit mercuriusvraagstuk nogal een uitgebreid verhaal is heb ik het onderverdeeld in vier hoofdstukken (als je de wiskunde wilt overslaan dan raad ik aan om gelijk naar hoofdstuk drie te gaan):
  1. Afleiding van de vergelijkingen
  2. Hoe de berekening uit te voeren
  3. Berekeningen en resultaten
  4. Geschiedenis, conclusie en vooruitblik

Afleiding van de vergelijkingen


  1. Afleiding van de vergelijkingen
  2. Hoe de berekening uit te voeren
  3. Berekeningen en resultaten
  4. Geschiedenis, conclusie en vooruitblik
Ik maak gebruik van de vergelijkingen die ik heb afgeleid op de pagina’s hemelmechanica en seculaire verstoringen (ik ga hierna ook refereren aan deze pagina’s).

Om te beginnen grijp ik terug op vergelijking (36) van de pagina seculaire verstoringen, want dat is de vergelijking die aangeeft hoe je de periheliumprecessie moet berekenen en daarom tevens mijn startpunt:
Vergelijking
De vergelijkingen (7) van de pagina seculaire verstoringen zijn de componenten van de verstorende kracht in het x*-y*-z*-stelsel als functie van de componenten van de verstorende kracht in het x-y-z-stelsel (in de kracht in de z*-richting zijn we niet geïnteresseerd omdat die geen invloed heeft op de periheliumprecessie, zie de vergelijking hierboven):
Vergelijking
Vergelijking
De componenten van de verstorende kracht in het x-y-z stelsel kennen we ook (de vergelijkingen (4) van de pagina seculaire verstoringen):
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Waarbij voor de verstoringsfunctie Θ geldt (vergelijking (17) van de pagina hemelmechanica):
Vergelijking
Om de periheliumprecessie te berekenen zal vergelijking (1) geïntegreerd en gemiddeld moeten worden over een totale omloop van m1:
Vergelijking
Middels vergelijking (88) van de pagina hemelmechanica maakten we kennis met de middelbare anomalie:
Vergelijking
Hierin is n de gemiddelde dagelijkse beweging. Indien ik over een totale omloop praat dan staat er dus:
Vergelijking
Door de differentiaal te nemen van (6) ontstaat:
Vergelijking
Door de vergelijkingen (7) en (8) te combineren krijg ik:
Vergelijking
En dit vul ik in in (5):
Vergelijking
Volgens vergelijking (89) van de pagina hemelmechanica kunnen we M schrijven als functie van de excentrische anomalie E als volgt:
Vergelijking
Waardoor (10) overgaat in:
Vergelijking
Op deze manier vinden we per saldo de periheliumprecessie nadat planeet p1 één omloop heeft voltooid. Maar terwijl p1 een omloop aflegt zijn de verstorende planeten uiteraard ook bezig met hun omlopen om de Zon. Dus de hoek E varieert, maar tegelijkertijd varieert ook de hoek E van iedere verstorende planeet. Dit vereist dat we dat in vergelijking (12) gaan inbrengen. Om te beginnen gaan we uit van één verstorende planeet, p2, waardoor de verstoringsfunctie Θ wordt:
Vergelijking
Het optellen van de invloeden van de diverse planeten (het sommeringsteken dat er eerst nog bij stond) stellen we uit tot later waardoor (12) wordt:
Vergelijking
Dat sommeringsteken ga ik niet de hele tijd meeslepen, dus die haal ik gelijk weer weg want het is nogal wiedus dat we aan het eind de verstorende invloeden van alle planeten bij elkaar op moeten tellen. En ik moet nauwkeuriger worden in mijn aanduidingen van wat er bij p1 respectievelijk p2 hoort door het toevoegen van indices:
Vergelijking
We hebben dus een planeet, p1, die de verstorende invloed ondergaat en één planeet, p2, die de verstorende invloed uitoefent. Deze verstorende invloed is recht evenredig met de massa van p2 (zie vergelijking (13)). Ik stel het volgende:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Oftewel, de linkerleden van de bovenstaande drie vergelijkingen zijn de componenten van de verstorende kracht die teweeg gebracht worden door één kilo m2. Vervolgens smeer ik de planeet p2 uit over zijn gehele baan. Er ontstaat daardoor een infinitesimaal dunne (oneindig dunne) elliptische ring met de magische eigenschap dat de dichtheid van de ring op ieder punt evenredig is met de tijd dat de niet-uitgesmeerde-planeet in dat deel van de ring doorbrengt (niet nadenken hoe zoiets in de praktijk verwezenlijkt zou kunnen worden, dat doet nu niet ter zake, dit is wiskunde). Daardoor geldt:
Vergelijking
De verstorende kracht die ieder infinitesimale stukje ring uitoefent is:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Door te integreren krijg ik de verstorende invloed die de totale ring uitoefent op p1:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vervolgens breng ik vergelijking (17) in:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Kortom, we doen de werkelijkheid geen enkel geweld aan door p2 uit te smeren over de baan die p2 doorloopt. Met behulp van (9) en (11) kunnen we de vergelijkingen (20) omschrijven als volgt:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Hierdoor wordt vergelijking (15):
Vergelijking
De vergelijkingen (85) van de pagina hemelmechanica leerden ons hoe we r kunnen schrijven als functie van de excentrische anomalie E, al dan niet in combinatie met de werkelijke anomalie θ:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Voor latere doeleinden schrijf ik (23b) nog iets anders op:
Vergelijking
Vergelijking (23a) stelt ons in staat om (22) als volgt te schrijven:
Vergelijking
Ik licht die twee binnenste integralen er uit:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking (24) ziet er dan zo uit:
Vergelijking
Volgens de vergelijkingen (16) van de pagina hemelmechanica kunnen we de componenten van de verstorende kracht in het x-y-z-stelsel ook als volgt schrijven (waarbij ik uitga van één verstorende planeet, p2, en ik vermenigvuldig ook nog met m1 omdat de vergelijkingen uit versnellingen bestaan en ik wil daar krachten van maken):
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Ik wil het even hebben over de rechtertermen van de bovenstaande vergelijkingen, om te beginnen de rechterterm van de x-component en die ga ik integreren en middelen over één omloop van p2:
Vergelijking
Omdat we het hier over krachten hebben moet het deel binnen de integraal een versnelling zijn en kan ik dus ook schrijven:
Vergelijking
De snelheid van p2 is op t = 0 en één omloop verder op t = T niet veranderd en dus levert het antwoord van de integraal nul op. De rechtertermen van de vergelijkingen (27) kunnen in deze berekening daarom weggelaten worden (of heel netjes gezegd: ze leveren geen bijdrage aan de seculaire verstoring), en dat levert voor de componenten van de verstorende kracht de volgende eenvoudiger vergelijkingen op:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
We hebben voor wat betreft de componenten van de verstorende kracht dus alleen rekening te houden met de rechtstreekse aantrekking tussen p1 en p2. Ik heb daar even een plaatje van gemaakt:
Grafiek
Figuur 2
De vergelijkingen (6) van de pagina seculaire verstoringen geven aan hoe we x-y-z-coördinaten kunnen omrekenen naar x*-y*-coördinaten:
Vergelijking
Vergelijking
Door dit te combineren met (30) levert dat het volgende op:
Vergelijking
Ik ga gebruik maken van het inwendig product van twee vectoren A en B:
Vergelijking
Hiermee kan ik (32) omschrijven als volgt:
Vergelijking
Hetgeen we ook relatief simpel kunnen aflezen uit figuur 2. Ik ga op zoek naar de andere component van de verstorende kracht waarbij ik onderweg gebruik maak van de verschilformules (van twee willekeurige hoeken) uit de goniometrie:
Vergelijking
En ook dit leest gemakkelijk af uit figuur 2. Voor de totale verstorende kracht geldt uiteraard:
Vergelijking
Newton
Newton

Hier verschijnt uiteraard weer de zwaartekrachtwet van Newton en op deze manier heb ik gecontroleerd dat we nog op het goede spoor zitten. Ik heb tijdens deze laatste afleiding trouwens gebruik gemaakt van de cosinusregel.

Ik heb nogmaals de baan van p1 getekend met daarin de knopenlijn (de blauwe lijn), maar ditmaal zijn de knopen niet de plaatsen waar p1 door het eclipticavlak gaat maar waar p2 door het baanvlak van p1 gaat (dus eigenlijk mag ik in dit geval de knopenlijn helemaal geen knopenlijn noemen):
Grafiek
Figuur 3
Van deze knopenlijn maak ik een nieuwe X-as, en loodrecht daarop komt een nieuwe Y-as:
Grafiek
Figuur 4
Met de apsidenlijn als x-as kan ik voor r1 schrijven:
Vergelijking
Maar met de knopenlijn als X-as wordt dat:
Vergelijking
De X-Y-Z-coördinaten van p1 zijn dan:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Ik kan uiteraard ook de X-Y-Z-coördinaten van p2 opschrijven. De baanvlakken van p1 en p2 delen de X-as, want dat is immers de snijlijn van beide baanvlakken. Echter, het baanvlak van p2 staat schuin onder een hoek i21 ten opzichte van het baanvlak van p1 dus daar moet ik even goed op letten:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
In vergelijking (34a) zit het inwendig product verstopt die mij heel gemakkelijk leidt naar de cosinus van de hoek tussen r1 en r2:
Vergelijking
En in vergelijking (34b) zit het uitwendig product verstopt die mij heel gemakkelijk leidt naar de sinus van de hoek tussen r1 en r2:
Vergelijking
Ik ga wat extra constanten in het leven roepen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Door (42b) te delen door (42a), en (42d) door (42c), kan ik c12 en c22 berekenen:
Vergelijking
Vergelijking
En (42a) en (42d) stellen mij daarna in staat om c11 en c21 te berekenen:
Vergelijking
Vergelijking
Hiermee kan ik de vergelijkingen (40) en (41) omschrijven als volgt:
Vergelijking
Vergelijking
Dit stoppen we vervolgens in de vergelijkingen (34):
Vergelijking
Vergelijking
Je vraagt je misschien af of ik wel bezig ben om naar een oplossing toe te werken, maar dat is toch echt wel het geval. Sterker nog, we beginnen al redelijk in de buurt te komen. Met behulp van (23b) en (23c) veranderen de vergelijkingen (45) in:
Vergelijking
Vergelijking
Ik heb in de teller nu nog maar één variabele (voor de eerste integratie): E2! Voor de overzichtelijkheid haal ik er nog een stel hulpvariabelen bij:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Waarmee de vergelijkingen (46) een stuk overzichtelijker worden:
Vergelijking
Vergelijking
Nu moet ik nog met de noemer aan de slag. Met behulp van de cosinusregel kan ik voor r21 schrijven:
Vergelijking
En met behulp van vergelijking (43) wordt dit:
Vergelijking
De vergelijkingen (23) stellen mij in staat de volgende stap te maken:
Vergelijking
Ik haal er nog maar een stel hulpvariabelen bij:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Waarmee (51) wordt:
Vergelijking
Nu heb ik ook de noemer uitgedrukt in de variabele E2. Dit stop ik in de vergelijkingen (48):
Vergelijking
Vergelijking
En dit stop ik vervolgens in de integralen van de vergelijkingen (25):
Vergelijking
Vergelijking
Het zeer goede nieuws is dat beide integralen dezelfde noemer hebben! Ik stel voor het gemak even:
Vergelijking
Dan kan ik de integralen I1 en I2 als volgt schrijven:
Vergelijking
Vergelijking
Ik stel:
Vergelijking
Vergelijking
En dit stop ik allemaal weer terug in vergelijking (26):
Vergelijking
De twee integralen I1 en I2 zijn weer samengevoegd tot één integraal! Ik neem de teller daarvan apart en ik ga de haken wegwerken:
Vergelijking
Dit vraagt gewoon om nog meer hulpvariabelen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Hiermee kan ik (59) schrijven als volgt:
Vergelijking
Nu hebben we weliswaar maar liefst vijf integralen, maar de oplossingen daarvan kunnen we allemaal vinden in de tabel met integralen: Het resultaat van de eerste keer integreren wordt aldus:
Vergelijking
Wat een zooitje hè, maar we hebben wel een exact antwoord!

Ik stel:
Vergelijking
Vergelijking
Hiermee wordt vergelijking (63):
Vergelijking
En ik stel ook nog:
Vergelijking
Hiermee wordt vergelijking (65):
Vergelijking
De grootste horde is nu genomen, maar er rest nog een tweede integraal. Ik heb zojuist geïntegreerd naar E2 en nu moet ik nog integreren naar E1. Daarvoor zal ik mij moeten wenden tot een numerieke integratiemethode, want de variabele E1 zit inmiddels diep verweven in het bovenstaande tussenresultaat. Dat is in dit geval helemaal niet erg, want ik hoef maar weinig integratieintervallen te berekenen om tot een nauwkeurig antwoord te komen. Zo wordt vergelijking (67):
Vergelijking
Hierin is c81-met-een-streepje-erboven de gemiddelde waarde van c81 voor alle waarden van E1. Nu ga ik nog even knutselen met die breuk met al die constanten die er voor staat. Voor k' geldt (vergelijking (20) van de pagina seculaire verstoringen):
Vergelijking
En voor p1 geldt (vergelijking (57) van de pagina hemelmechanica):
Vergelijking
Ik pak ook de complementaire excentriciteit er bij (vergelijking (77d) van de pagina hemelmechanica):
Vergelijking
En de gemiddelde dagelijkse beweging (vergelijking (82) van de pagina hemelmechanica):
Vergelijking
Dit ga ik allemaal invullen in die breuk van vergelijking (68) en die geef ik gelijk een naampje:
Vergelijking
Waarmee vergelijking (68) uiteindelijk wordt:
Vergelijking
Hier wil ik enkele opmerkingen over maken: Daarom is dit het lang gezochte resultaat:
Vergelijking
Dus kunnen we dan nu eindelijk ‘echt’ gaan rekenen? Nee, er is nog één akkefietje dat uitgezocht moet worden. Want om te kunnen rekenen hebben we de baanelementen nodig van de planeten: Echter, deze baanelementen worden allemaal gegeven ten opzichte van het eclipticavlak, het vlak waar de Zon en de Aarde in bewegen. En omdat we voor dit specifieke probleem te maken hebben met Mercurius en een andere planeet zullen we twee baanelementen moeten omrekenen: Ik heb een plaatje gemaakt van de situatie:
Grafiek
Figuur 5
Hierin is Ω1 waar Mercurius door het eclipticavlak gaat, Ω2 is waar de verstorende planeet door het eclipticavlak gaat, i1 is de inclinatiehoek van het baanvlak van Mercurius ten opzichte van het eclipticavlak en i2 is de inclinatiehoek van het baanvlak van de verstorende planeet ten opzichte van het eclipticavlak. Ik ga nu de inclinatiehoeken aan de andere kant van de klimmende knopen aangeven:
Grafiek
Figuur 6
De klimmende knopen zijn hoeken gemeten vanaf het lentepunt. Het verschil van beide is de hoek die ingesloten wordt door beide en die noem ik Ω21:
Vergelijking
En zo zijn er nog twee ingesloten hoeken, namelijk tussen de beide klimmende knopen en de klimmende knoop die beide baanvlakken onderling maken, die noem ik ε1 en ε2:
Grafiek
Figuur 7
Nu heb ik perfect een boldriehoek in kaart gebracht en hierop ga ik de rekenregels voor de boldriehoek toepassen. Als eerste de cosinusregel voor de hoeken:
Vergelijking
En zo kom ik i21 te weten. Vervolgens pak ik de sinusregel voor de boldriehoek en die gebruik ik tweemaal om ε1 en ε2 te berekenen:
Vergelijking
Vergelijking
Verder weet ik dat de argumenten van beide perihelia gemeten zijn vanaf de klimmende knopen door het eclipticavlak. Gemeten vanaf de onderlinge knoop Ω geldt dan voor Mercurius (want Ω is voor Mercurius de klimmende knoop):
Vergelijking
De onderlinge knoop Ω is voor de verstorende planeet echter de dalende knoop. Voor het argument van het perihelium van de verstorende planeet geldt daarom:
Vergelijking
Tenslotte wil ik nog opmerken dat in tabellen met baanelementen regelmatig in plaats van het argument van het perihelium de lengte van het perihelium gegeven wordt. Deze zijn in elkaar om te rekenen als volgt:
Vergelijking
Vergelijking
Nu kunnen we eindelijk echt gaan rekenen.

Hoe de berekening uit te voeren


  1. Afleiding van de vergelijkingen
  2. Hoe de berekening uit te voeren
  3. Berekeningen en resultaten
  4. Geschiedenis, conclusie en vooruitblik
Allereerst zoeken we de gegevens op van de diverse planeten, per planeet hebben we de volgende baanelementen nodig: Nu ga ik de totale berekening doornemen voor Mercurius en één verstorende planeet. Helemaal aan het einde tel ik dan de resultaten op voor alle planeten samen. Bovendien moet ik onderstaande berekening doen voor iedere waarde van E1, want de integratie naar E1 gaat via numerieke integratie, oftewel via een reeks kleine stapjes (lees: allemaal verschillende waarden voor E1 in een bepaald aantal intervallen van 0 tot 360 graden).

Allereerst reken ik, indien nodig, de lengte van het perihelium om naar het argument van het perihelium:
Vergelijking
Daarna bereken ik p en de complementaire excentriciteit van beide planeten:
Vergelijking
Vergelijking
En tevens de verschilhoek tussen de beide lengtes van de klimmende knoop:
Vergelijking
Hiermee kan ik de onderlinge inclinatiehoek berekenen:
Vergelijking
Daarna bereken ik ε1 en ε2:
Vergelijking
Vergelijking
Hieruit volgt voor de argumenten van de perihelia:
Vergelijking
Vergelijking
En die gaan vanaf nu verder door het leven als ω1 en ω2, dus zonder apostroph. Nu kunnen c12 en c22 berekend worden:
Vergelijking
Vergelijking
En die dienen als opstapje naar c11 en c21:
Vergelijking
Vergelijking
Vervolgens bereken ik de afstand r1:
Vergelijking
En de werkelijke anomalie θ1:
Vergelijking
Dit maakt de weg vrij naar de berekening van de volgende variabelen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
En dat maakt op zijn beurt weer de weg vrij naar de berekening van deze variabelen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Hetgeen ons brengt bij:
Vergelijking
Nu duik ik in de uitwerking van de integraal en zoals gezegd vind je dat terug in de tabel met integralen: Hierbij geldt dat a = c41, b = c42, c = c43, d = c44 en e = 0. Daar gaan we dan, om te beginnen normaliseer ik de noemer:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Daarmee kan ik de volgende stap maken:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
En de volgende stap:
Vergelijking
Vergelijking
Zodat ik de volgende hoek kan uitrekenen:
Vergelijking
Hiermee kan ik de nulpunten berekenen van de derdegraads vergelijking die ik onderweg tegenkom:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Daarmee kan ik de volgende variabelen berekenen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Hetgeen mij in staat stelt om de variabelen α, β en γ en de diverse kruisproducten uit te rekenen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
En dat maakt de weg vrij naar deze variabelen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Waarmee ik deze twee variabelen kan berekenen:
Vergelijking
Vergelijking
Taylor
Taylor

Dan zijn nu de complete elliptische integraal van de tweede soort en de complete elliptische integraal van de eerste soort aan de beurt volgens deze Taylor-reeksen:

Vergelijking
Vergelijking

Waaruit volgt:
Vergelijking
En omdat:
Vergelijking
Zo kom ik tenslotte bij:
Vergelijking
Twee opmerkingen omtrent de berekeningen: Dan kunnen we nu Excel aan het werk zetten.

Berekeningen en resultaten


  1. Afleiding van de vergelijkingen
  2. Hoe de berekening uit te voeren
  3. Berekeningen en resultaten
  4. Geschiedenis, conclusie en vooruitblik
Ik heb allereerst de berekeningen van Doolittle overgedaan met zijn gegevens:
Tabel
Figuur 8: de baanelementen zoals gebruikt door Doolittle
Onderstaande tabel geeft de resultaten weer van Doolittle en mij:
Periheliumprecessie Doolittle De Vlieger Doolittle/De Vlieger
Venus 277.636150000 277.634760890 1.000005003
Aarde 91.448833000 91.448814834 1.000000199
Mars 2.486334300 2.486334414 0.999999954
Jupiter 154.007200000 154.007183099 1.000000110
Saturnus 7.312262700 7.312266261 0.999999513
Uranus 0.142134790 0.142134469 1.000002262
Neptunus 0.041900885 0.041904488 0.999914019
Totaal 533.074815675 533.073398453 1.000002659
Tabel 1: periheliumprecessie van Mercurius
[boogseconden/eeuw]
Zoals ik in het begin al vertelde hebben Hill en Doolittle zich in allerlei bochten gewrongen om deze berekening te optimaliseren bij afwezigheid van computers. Concreet betekent dit:
Laplace
Laplace
Runge
Runge
Lenz
Lenz

(Credits: Universiteit Hamburg)

In 2005 verscheen een artikel van Melbourne Stewart, hij gebruikte een andere methode voor deze berekening (namelijk via de Laplace-Runge-Lenz-vector). Ik ga ook een vergelijking maken met zijn resultaten, maar helaas geeft Stewart zijn resultaten slechts met twee cijfers achter de komma.

Tabel
Figuur 9: de baanelementen zoals gebruikt door Stewart
Onderstaande tabel geeft de resultaten weer van Stewart en mij:
Periheliumprecessie Stewart De Vlieger Stewart/De Vlieger
Venus 277.42 277.36 1.000216
Aarde 90.88 90.86 1.000220
Mars 2.48 2.48 1.000000
Jupiter 153.95 153.92 1.000195
Saturnus 7.32 7.32 1.000000
Uranus 0.14 0.14 1.000000
Neptunus 0.04 0.04 1.000000
Totaal 532.23 532.14 1.000169
Tabel 2: periheliumprecessie van Mercurius
[boogseconden/eeuw]
Ik was verbaasd dat mijn resultaten en die van Stewart niet beter met elkaar overeenstemmen (het scheelt weliswaar minder dan 0.2 promille, maar toch). Het artikel van Stewart is uitermate summier en daarom gaf mij dat geen inzicht in de verklaring van het verschil. Vervolgens heb ik meneer Stewart een email gestuurd in de hoop dat dat mij verder kon helpen. Dit was zijn antwoord:
Vlag USA Vlag Nederland
Dear de Vlieger,

I’m afraid I can’t be of much help in explaining why your calculation and my calculation agree to only 2 parts in 10,000. I can’t redo the calculations since they were run (using Fortran) on an old computer that is no longer functional. My best guess is that I just didn’t carry the calculations to the accuracy that you have done. And I didn’t preserve the calculations in the very nice format that you have done in your manuscript. I am sorry that I can’t be more definitive than that.

Sincerely,
Melbourne G Stewart
Professor of Physics Emeritus
Department of Physics
Wayne State University
Detroit, Michigan
Beste de Vlieger,

Ik ben bang dat ik niet veel kan helpen in het verklaren waarom uw berekening en mijn berekening met elkaar overeenkomen tot slechts 2 delen in 10000. Ik kan de berekeningen niet overdoen, omdat ze uitgevoerd zijn (met gebruik van Fortran) op een oude computer die niet langer in gebruik is. Mijn beste inschatting is dat ik de berekeningen gewoon niet met die nauwkeurigheid heb uitgevoerd die u hebt gebruikt. En ik heb de berekeningen niet bewaard in het hele overzichtelijke formaat dat u hebt gebruikt in uw verhaal. Het spijt me dat ik niet eenduidiger kan zijn dan dit.

Hoogachtend,
Melbourne G Stewart
Professor of Physics Emeritus
Department of Physics
Wayne State University
Detroit, Michigan

Geschiedenis, conclusie en vooruitblik


  1. Afleiding van de vergelijkingen
  2. Hoe de berekening uit te voeren
  3. Berekeningen en resultaten
  4. Geschiedenis, conclusie en vooruitblik
Le Verrier
Le Verrier

Het was de Fransman Urbain Le Verrier die in 1841 als eerste opmerkte dat er een afwijking zat in de baan van de planeet Mercurius, een afwijking die men destijds (met de wetten van Newton) niet kon verklaren. Er zat destijds ook een afwijking in de baan van de planeet Uranus en Le Verrier ging ook hieraan rekenen. Hij ging ervanuit dat een nog onbekende planeet aan Uranus trok en berekende waar die planeet zich dan zou moeten bevinden. Toen hij daarmee klaar was werden deze coördinaten doorgegeven aan een sterrenwacht die dezelfde avond nog de nieuwe planeet aantrof op (nagenoeg) de voorspelde positie. Dit sterkte Le Verrier uiteraard in zijn overtuiging dat er bij Mercurius ook iets dergelijks aan de hand moest zijn. Hij rekende nog een aantal jaren stevig door en publiceerde in 1859 een uitgebreid artikel over zijn werk waaruit ondubbelzinnig bleek dat de omloop van Mercurius niet klopte met de theorie: per eeuw precesseerde Mercurius 38 boogseconden te veel. Simpel gezegd: een Mercuriusjaar was ruim een halve seconde te vroeg afgelopen. En een halve seconde is voor een wetenschapper genoeg om uuuuuuuuuuuren wakker van te liggen.

Newcomb
Newcomb

De Canadees Simon Newcomb doet het huiswerk van Le Verrier nog eens dunnetjes over en kan alleen maar beamen dat de Fransman volkomen gelijk heeft. En passant stelt hij het resultaat van Le Verrier bij van 38 naar 43 boogseconden per eeuw. Er wordt druk gespeculeerd over een mogelijke oorzaak. Le Verrier hypothetiseert in zijn artikel over een asteroïdengordel tussen Mercurius en de Zon (“tels groupes d’astéroïdes existent aussi plus près du Soleil”) en in 1860 bezoekt hij een Franse amateurastronoom die een planeetovergang (een planeet die vanaf de Aarde gezien voor de Zon langs trekt) meent te hebben waargenomen. De planeet krijgt prompt een naam, Vulcanus, maar de claim wordt nimmer bevestigd. Tot zijn dood in 1877 blijft Le Verrier geloven in een bepaalde massa tussen Mercurius en de Zon die de precessie zal verklaren.

Einstein
Einstein

Het is Albert Einstein die in 1915 met zijn algemene relativiteitstheorie het precessieverschil verklaart: kromming van de ruimtetijd veroorzaakt door de energie van de Zon. Einstein leidt in zijn artikel de volgende vergelijking af (deze oplossing van Einstein is een eerste orde benadering van het probleem, ik heb ook de tweede orde benadering uitgerekend, maar dat leverde geen significante extra term op):

Tekst
Passage uit het originele artikel van Einstein over de algemene relativiteitstheorie
Vergelijking
Het sommetje dat je veel aantreft in boeken en op internet is het volgende:
gemeten precessie = Newton-precessie + Einstein-precessie
Of iets anders geformuleerd:
gemeten precessie = klassieke precessie + relativistische precessie
Vergelijking (81) is eenvoudig uit te rekenen en geeft als antwoord ε = 43 boogseconden per eeuw, precies het onverklaarde precessiedeel! Hiermee wordt het bovenstaande sommetje:
575 = 532 + 43
Deze uitleg, dit sommetje, kom je veel tegen en daarmee lijkt de kous af. De algemene relativiteitstheorie is bewezen en de baan van Mercurius is verklaard, twee vliegen in één klap. Toch houdt dit nog wel de gemoederen bezig, en wel om twee redenen:
Astronaut op de Maan

Waarschijnlijk omdat de precessie zo moeilijk is uit te rekenen, doet het merkwaardige feit zich voor dat er in de geschiedenis van de mensheid meer mensen op de Maan hebben gelopen dan dat er mensen gerekend hebben aan deze klassieke (niet-relativistische) precessie. Wanneer je gaat zoeken op internet dan zul je ook merken dat er niet één webpagina is die in detail uit de doeken doet hoe je deze precessie berekent. Deze pagina, die je nu aan het lezen bent, is de eerste en tot nu toe de enige.

Even een historisch overzicht: De resultaten van al dit werk heb ik samengevat in onderstaande tabel:
Periheliumprecessie Vlag Frankrijk
Le Verrier
(1841)
Vlag Frankrijk
Le Verrier
(1859)
Vlag Canada
Newcomb
(1895)
Vlag USA
Doolittle
(1912)
Vlag USA
Clemence
(1947)
Vlag USA
Stewart
(2005)
Vlag Nederland
De Vlieger
(2017)
Venus 287.00 280.60 277.64 277.86 277.42 277.36
Aarde 86.00 83.60 91.45 90.04 90.88 90.86
Mars 3.00 2.60 2.49 2.54 2.48 2.48
Jupiter 158.00 152.60 154.01 153.58 153.95 153.92
Saturnus 8.00 7.20 7.31 7.30 7.32 7.32
Uranus 0.10 0.14 0.14 0.14 0.14
Neptunus 0.04 0.04 0.04 0.04
Totaal 542.00 526.70 532.55 533.07 531.50 532.23 532.14
Tabel 3: overzicht berekende klassieke periheliumprecessie van Mercurius
[boogseconden/eeuw]
Ketting

Echter, een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel. Want het resultaat van bijna twee eeuwen rekenen-aan-Mercurius staat hierboven in een tabel die op een half A4-tje past. Dat is bijzonder mager. Daar komt bovenop dat meetresultaten van de precessie van Mercurius nog veel schaarser zijn (net zoals je op internet geen details vindt betreffende de berekening van de klassieke precessie, vind je daar ook geen meetresultaten). Op internet is er alleen maar een vicieuze cirkel van citeren en geciteerd worden met het inmiddels overbekende rijtje 575 - 532 - 43. Als je gaat opzoeken waar de 575 en de 532 werkelijk vandaan komen wordt het oorverdovend stil.

Shapiro
Shapiro

(Credits: Harvard University)

In de wetenschappelijke literatuur is het niet beter, want voor zover ik kan nagaan is er na Le Verrier één keer gemeten aan de precessie van Mercurius (door Shapiro) en iedereen refereert aan dat resultaat (en ik heb best wel wat boeken aangaande dit onderwerp).

BepiColombo
BepiColombo onderweg naar Mercurius
(Credits: ESA)
Mercurius en BepiColombo

In 2018 wordt BepiColombo gelanceerd die in 2025 bij Mercurius zal arriveren. ESA schrijft hierover het volgende op haar website:

“It will set off in 2018 on a journey to the smallest and least explored terrestrial planet in our Solar System. An ambitious, multi-spacecraft mission to explore the planet Mercury in unprecedented detail is now scheduled for lift-off from Europe’s spaceport at Kourou, French Guiana, in October 2018.”

Ik twijfel er niet aan dat BepiColombo een eersteklas positiebepaler aan boord heeft. Kortom, wetenschap blijft altijd spannend. Weten we over tien jaar eindelijk het exacte antwoord op het Mercuriusprobleem?