Relativistische periheliumprecessie, 2e orde benadering

Bereken, uitgaande van de differentiaalvergelijking van een geodetische lijn rondom een puntmassa, de periheliumprecessie van een planeet (in een tweede orde benadering).
Dit is de differentiaalvergelijking van een geodetische lijn rondom een puntmassa (voor de afleiding zie deze pagina):
Vergelijking
Waarbij voor u geldt:
Vergelijking
Het slechte nieuws is: er is geen exacte oplossing bekend van deze differentiaalvergelijking. Het goede nieuws is: in de wiskunde zijn we niet voor één gat te vangen. Wanneer ik in vergelijking (1) de meest rechtse term weglaat dan blijft dit over:
Vergelijking
Kepler
Kepler

De oplossing hiervan is de welbekende eerste wet van Kepler (planeten volgen elliptische banen):

Vergelijking

Brahe
Brahe

De meest rechtse term van vergelijking (1) zal klein zijn, want anders was het al veel eerder opgevallen dat de eerste wet van Kepler niet precies klopt. Sterker nog, dan zou Kepler nooit tot zijn eerste wet zijn gekomen, want hij heeft die immers afgeleid uit waarnemingen. Tycho Brahe had destijds de meest nauwkeurige waarneemgegevens en die stelden Kepler in staat om zijn wetten op te stellen. Let wel, die hele rechterterm, inclusief de u2, is klein, maar dat hoeft niet te gelden (en dat geldt ook niet) voor het getal 3GM/c2 dat ervoor staat. Ik ga daarom vergelijking (1) wat verbouwen. Ik stel:

Vergelijking

Waardoor (1) overgaat in:
Vergelijking
Vervolgens stel ik:
Vergelijking
Vergelijking
Op deze manier weet ik zeker dat λ een klein getalletje is. Vergelijking (6) wordt dan:
Vergelijking
Vervolgens stel ik dat mijn oplossing eruit moet zien als volgt:
Vergelijking
Ik besluit voor een tweede orde benadering te gaan:
Vergelijking
En dit vul ik in in vergelijking (8):
Vergelijking
Zoals gezegd ga ik voor een tweede orde benadering en daarom ga ik die termen met λ3, λ4 en λ5 verwaarlozen:
Vergelijking
Dit resultaat ga ik een beetje reorganiseren:
Vergelijking
En vervolgens deel ik het op in drie vergelijkingen, termen zonder λ, termen met λ en termen met λ2:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De oplossing van (14a) is simpel, dat is de klassieke Kepler-oplossing:
Vergelijking
Op deze pagina heb ik u1 gevonden, de eerste orde benadering, dus die haal ik daar simpelweg op:
Vergelijking
En deze beide oplossingen vul ik in in vergelijking (14c):
Vergelijking
Vergelijking (17) ga ik opdelen in zes vergelijkingen:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De oplossing van (18a) is simpel, dat is weer de klassieke Kepler-oplossing:
Vergelijking
Voor de andere vijf is het een beetje zoeken en aftasten (zoals meestal met differentiaalvergelijkingen), maar de algemene oplossing van:
Vergelijking
Is dit:
Vergelijking
Bewijs:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De algemene oplossing van:
Vergelijking
Is dit:
Vergelijking
Bewijs:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De algemene oplossing van:
Vergelijking
Is dit:
Vergelijking
Bewijs:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De algemene oplossing van:
Vergelijking
Is dit:
Vergelijking
Bewijs:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
En de algemene oplossing van:
Vergelijking
Is dit:
Vergelijking
Bewijs:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De oplossing van (18b) wordt daarmee:
Vergelijking
De oplossing van (18c):
Vergelijking
De oplossing van (18d):
Vergelijking
De oplossing van (18e):
Vergelijking
En de oplossing van (18f) wordt:
Vergelijking
De totale oplossing van u2 is de som van (19), (35), (36), (37), (38) en (39):
Vergelijking
En de totale oplossing van u (zie vergelijking (10)) is de som van (15), (16) en (40):
Vergelijking
De afstand r is de reciproke hiervan:
Vergelijking
Nu kunnen we terug naar de beginvraag van deze pagina: wat is de precessie van het perihelium? In het perihelium is r minimaal en dus de noemer van vergelijking (42) maximaal. Ik neem die noemer daarom even apart onder de loep:
Vergelijking
Voor het maximaal zijn van deze noemer spelen de constanten geen rol en die kunnen er dus uit:
Vergelijking
Die termen met λ cos φ, λ2 cos φ en λ2 cos3 φ zijn gemiddeld over een hele omloop van de planeet nul en dragen daarom ook niets bij. En die termen met cos2 φ zijn gemiddeld over een hele omloop van de planeet constant en dragen daarom op de lange duur ook niets bij. Weg ermee:
Vergelijking
En ik kan natuurlijk een factor e uitdelen en wat termen samen nemen:
Vergelijking
Voor de eenvoud ga ik uit van een cirkelvormige baan. Met andere woorden, ik stel e = 0:
Vergelijking
Het is goed om hier de eerste orde benadering van deze pagina onder te zetten:
Vergelijking
Bij mij komt steeds meer het gevoel naar boven dat deze tweede orde benadering niets nieuws gaat brengen ten opzichte van de eerste orde benadering (lees: er komt niet nog ergens een significante term bovendrijven). Daarom ga ik nu eerst λ uitrekenen voor de planeet die het dichtst bij de Zon staat: Mercurius. Hiervoor gebruik ik (7b):
Vergelijking
Wanneer we de gegevens van Mercurius invullen dan volgt hieruit dat λ = 8.0 ∙ 10-8. Na één omloop van de planeet precesseert het perihelium van Mercurius minder dan dertig kilometer (28.8 km), en dat is minder dan een tienmiljoenste van de totale omloopafstand (360 miljoen kilometer). Op die precessie zou dan nog een correctie moeten volgen van 5/2 λ en er ontstaat tevens een nieuwe precessieterm van 1/2 λ2 (het verschil tussen de vergelijkingen (47) en (48)). Kortom, op vergelijking (47) kan ik nog een heleboel wiskundige trucs loslaten, maar dat zal geen nieuwe inzichten opleveren.
Periheliumprecessie

De eerste orde benadering van deze pagina is absoluut nauwkeurig genoeg (ondanks dat ik daar verwaarlozingen heb toegepast die mij er toe brachten om toch een keer de tweede orde benadering te willen uitrekenen).

Einstein
Einstein

Aan het resultaat zoals Einstein het iets meer dan honderd jaar geleden ook vond (maar dan wel op een hele andere manier) is dus niets af te dingen:

Vergelijking

Vergelijking
Passage uit het originele artikel van Einstein over de algemene relativiteitstheorie
Newton
Newton
Le Verrier
Le Verrier

Het minieme verschil tussen ‘Newtonse zwaartekracht’ en de werkelijkheid werd in 1855 ontdekt door de Fransman Urbain Le Verrier voor de planeet Mercurius. Weliswaar is het verloop van de periheliumprecessie van Mercurius nog geen dertig kilometer per mercuriusjaar, en daardoor nauwelijks waarneembaar, maar een mercuriusjaar duurt minder dan drie maanden op Aarde waardoor per aardejaar het verloop al ruim honderd kilometer is (vier maal zoveel) en per eeuw ruim tienduizend kilometer (honderd maal zoveel). Dit laatste viel ook in de negentiende eeuw al op, om te beginnen dus door Le Verrier. Voor de planeet Mercurius berekende Le Verrier een afwijking van 38 boogseconden per eeuw en hij ging ervanuit dat een nog onontdekte planeet tussen Mercurius en de Zon deze afwijking veroorzaakte. Deze planeet kreeg alvast een naam, Le Verrier doopte de planeet Vulcanus, maar ondanks alle inspanningen werd de planeet nooit gevonden.