Uitleg artikel algemene relativiteitstheorie: paragraaf 21

Trefwoorden: algemene relativiteitstheorie, Annalen der Physik, Die Grundlage der allgemeinen Relativitätstheorie/De grondslag van de algemene relativiteitstheorie, Königlich Preussischen Akademie der Wissenschaften/Koninklijke Pruisische Academie der Wetenschappen
Hoofdstuk E.

Paragraaf 21:
De theorie van Newton als eerste benadering.
Principia
Principia
Newton
Newton

Het is 1687 wanneer de eerste uitgave (350 exemplaren) van het boek Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, kortweg Principia, van Isaac Newton beschikbaar komt. In dit boek beschrijft Newton onder andere de zwaartekracht en hij laat de wereld tevens zijn gravitatiewet na:

Vergelijking

Nu, ruim driehonderd jaar later, leert iedere scholier op het voortgezet onderwijs met natuurkunde in zijn/haar pakket nog steeds de werking van de zwaartekracht middels die gravitatiewet van Newton. Ook echte wetenschappers maken in overgrote meerderheid nog altijd gebruik van Newton’s wet, want die is simpel en voldoet eigenlijk altijd.
Stapel koffiekopjes
Einstein
Einstein

Einstein wist dit uiteraard en besefte terdege dat zijn relativiteitstheorie in ‘gewone huis-tuin-en-keuken-gevallen’ in overeenstemming diende te zijn met de gravitatiewet van Newton om de doodeenvoudige reden dat berekeningen met Newton’s wet heel erg goed overeenstemmen met de werkelijkheid. Oftewel, de gravitatiewet van Newton dient als hele goede benadering uit de bus te komen voor de relativiteitstheorie van Einstein. In deze paragraaf gaat Einstein aan de slag om deze overeenkomst aan te tonen.

Einstein merkt nogmaals op dat de speciale relativiteitstheorie een specifiek geval van de algemene relativiteitstheorie is, en zich daardoor kenmerkt dat de metrische tensor g in dat geval de volgende vorm aanneemt (zie paragraaf 4):
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Met andere woorden: in een dergelijk geval is iedere gravitatiewerking afwezig. Een benadering die dichter bij de werkelijkheid komt is wanneer de gμν maar een beetje van nul of één afwijken, waarbij “een beetje” door Einstein gedefinieerd wordt als een eerste orde afwijking. Afwijkingen van tweede - en hogere orde worden dus verwaarloosd en hij noemt dit het eerste uitgangspunt van de benadering (de benadering van de algemene relativiteitstheorie die moet leiden tot de gravitatiewet van Newton). Verder nemen we aan dat de gμν in het oneindige de waarden van (4.47/E4) aannemen en dat alle afwijkingen van de gμν (afwijkingen van (4.47/E4)) het gevolg zijn van massa die zich op eindige afstanden bevindt (waarbij ‘eindig’ natuurlijk een rekbaar begrip is, maar Einstein gaat ervanuit (en ik ook) dat je gevoelsmatig wel snapt wat hij bedoelt).

Met deze aannames zouden we op Newton’s theorie uit moeten komen, maar Einstein komt met nog een tweede uitgangspunt. Volgens de volgende wet van Newton bepaalt de kracht die wordt uitgeoefend op een object de versnelling (snelheidsverandering) van dat object:
Vergelijking
Volgens bovenstaande wet van Newton beweegt ieder object waar geen kracht op wordt uitgeoefend (F = 0) zich met constante snelheid langs een rechte lijn (en in de Newtonse benadering is de massa constant):
Vergelijking
Dit gaan we vergelijken met vergelijking (13.4/E46) uit paragraaf 13:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
In onze dagelijkse ervaring treden alleen maar snelheden op die veel kleiner zijn dan de snelheid van het licht (v Symbool c) en dit betekent dat zowel voor een eerste - als tweede orde benadering geldt:
Vergelijking
We kunnen daarom tevens stellen dat:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Snelheden hebben dan de bekende vorm:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
De componenten van de snelheid (datgene wat in (21.6) onder het wortelteken tussen de haakjes staat, oftewel de vergelijkingen (21.5)) zijn dan tevens als ‘klein’ aan te merken (klein ten opzichte van de lichtsnelheid). Dat dx4/ds bij goede benadering gelijk is aan één is het tweede uitgangspunt van Einstein’s benadering. Samengevat: Omdat volgens de tweede aanname geldt dat ds ≈ dx4 gaat vergelijking (13.4/E46) over in:
Vergelijking
In de rechterterm van deze vergelijking wordt gesommeerd over de indices μ en ν die allebei de waarden 1, 2, 3, 4 doorlopen (dus zestien combinaties in totaal). Maar aangezien we net geconcludeerd hebben dat de componenten van de snelheid, volgens vergelijking (21.6), klein zijn (ten opzichte van de lichtsnelheid) zal de term waarbij μ = ν = 4 dominant zijn. We kunnen dus ook schrijven:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
En dat kan ik ook schrijven als:
Vergelijking
Vergelijking (21.9) ga ik splitsen:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Dus waar Newton zegt dat een vrij deeltje (een deeltje waar geen krachten op inwerken) een rechte lijn volgt:
Vergelijking
Daar zegt Einstein dat een vrij deeltje een geodetische lijn volgt:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Het is nu wel heel interessant om vergelijking (21.10a) aan een nader onderzoek te onderwerpen. Ik ga daarom die vergelijking nog verder uitschrijven:
Vergelijking
Vervolgens stelt Einstein ook nog dat het gravitatieveld quasi-statisch is, want we hebben hiervoor immers aangenomen dat alle snelheden ver beneden die van de lichtsnelheid liggen (dus ook de snelheden van de massa’s die zwaartekracht genereren). Daarom kan ik de eerste term aan de rechterkant van bovenstaande vergelijking verwaarlozen omdat dat een afgeleide naar de tijd (x4 = t) is:
Vergelijking
Het is tegenwoordig gebruikelijk dat Latijnse indices alleen over de drie ruimtelijke dimensies ‘lopen’ en Griekse indices over alle vier dimensies. Dat was in de tijd van Einstein nog niet het geval en daarom zal ik bovenstaande vergelijking even schrijven volgens Einstein’s notatie:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Door hier Newton’s theorie tegenover te zetten met zwaartekracht ontstaat (waarbij ik naar keuze m1 of m2 uitdeel, en het minteken komt erbij omdat het zwaartekrachtveld richting de oorsprong gericht is):
Vergelijking
Zoals in eerdere paragrafen al opgemerkt is het zwaartekrachtveld een conservatief veld en bestaat er dus een potentiaalfunctie voor het zwaartekrachtveld en die noem ik φ:
Vergelijking
Dan kan ik (21.14) ook schrijven als:
Vergelijking
Door (21.13) en (21.16) met elkaar te vergelijken kom ik tot:
Vergelijking
Vervolgens merkt Einstein terecht op dat het op zich merkwaardig is dat in eerste benadering alleen de component g44 van de metrische tensor de uitkomst van de bewegingsvergelijking (21.13) bepaalt.

Nu richt Einstein zich op de veldvergelijkingen uit paragraaf 16:
Vergelijking
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
De volgende stap is om een benadering te vinden voor de energietensor T. In paragraaf 19 vonden we:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
De indices α en β doorlopen ook hier allebei de waarden 1, 2, 3, 4 (dus zestien combinaties in totaal), maar net zoals in het voorgaande is de dominante component die waarbij α = β = 4. Bovendien is de energie van de materie (E = mc2) normaliter dominant over de energie van de druk (dus ρ Symbool p). We kunnen dus ook schrijven:
Vergelijking
Oftewel:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Dit tussenresultaat vul ik in in (16.32/E53):
Vergelijking
Christoffel
Christoffel

Vervolgens schrijf ik de Christoffel-symbolen iets anders op:

Vergelijking

Nu ga ik de Christoffel-symbolen omschrijven van de tweede soort naar de eerste soort:
Vergelijking
Voor de Christoffel-symbolen van de eerste soort geldt:
Vergelijking
Je zou dus kunnen zeggen dat de eerste term aan de linkerkant van vergelijking (21.22) gμν’s bevat tot de tweede macht en de tweede term bevat gμν’s tot de vierde macht. Omdat de gμν’s die niet op de hoofddiagonaal liggen heel klein zijn zal de eerste term daarom veel meer bijdragen dan de tweede term. Bij goede benadering kunnen we dus stellen dat:
Vergelijking
Omdat in deze paragraaf de componenten van de metrische tensor die op de hoofddiagonaal liggen dominant zijn gaat dit over in:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein (voor het linkerlid):
Vergelijking
Er zit helaas niets anders op dan dit helemaal uit te schrijven:
Vergelijking
We kiezen natuurlijk weer voor die termen waarvoor geldt dat μ = ν = 4:
Vergelijking
En om dezelfde reden als hiervoor gooien we alle afgeleiden naar de tijd (x4 = t) weer overboord:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijkingen uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Vergelijking
Met een kleine aanpassing kan ik ook schrijven:
Vergelijking
En door daar vergelijking (21.17) in in te vullen kom ik tot:
Vergelijking
Poisson
Poisson

Hetgeen overeenkomt met de vergelijking van Poisson die we in paragraaf 16 al tegenkwamen (Einstein haalt Symbool en de gravitatieconstante G (waarvoor hij de letter K gebruikt) door elkaar):

Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking

Uit de combinatie van (16.17) en (21.30) volgt:
Vergelijking
Omdat in de component g44 een factor c2 zit verwerkt (die in dit artikel op één gesteld is) moet (21.31) eigenlijk zijn:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Einstein gebruikt hier de letter K om de gravitatieconstante mee aan te geven waar tegenwoordig de letter G gebruikelijk is. Daarnaast komt Einstein op een andere exponent uit omdat hij met centimeters en grammen rekent, terwijl tegenwoordig meters en kilogrammen de standaard zijn.

In zijn artikel doet Einstein het voorgaande trouwens op een iets andere manier. Hij schrijft de potentiaal van het zwaartekrachtveld eerst als volgt, waarbij hij gebruik maakt van de gravitatiewet van Newton en van de vergelijking van Poisson (dτ is een infinitesimaal stukje volume):
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Vervolgens schrijft hij de potentiaal van het zwaartekrachtveld nog een keer op, maar dan alleen gebruik makend van de gravitatiewet van Newton (waarbij K de oude aanduiding is voor G en ik gooi gelijk de factor c2 erin):
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Omdat (21.33/E68a) en (21.34) overeen moeten komen volgt hieruit wederom:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
En Einstein is hier een beetje kort door de bocht, want in de energietensor zit ook nog een factor c2. We vonden vergelijking (21.19) en die zegt:
Vergelijking
Oorspronkelijke vergelijking uit het artikel van Einstein:
Vergelijking
Maar met E = mc2 bij de hand is duidelijk te zien dat hier een factor c2 bij moet om tot energie te komen:
Vergelijking
Door deze factor c2 ook nog mee te nemen in de hele afleiding komen we tot:
Vergelijking
We kunnen voor de zekerheid nog even een dimensiecheck doen:
Vergelijking
Vergelijking
Door deze twee eenheden met elkaar te vermenigvuldigen komen we uit op meters en dat is uiteraard de eenheid van de tensor G aan de linkerkant van de veldvergelijkingen omdat die de ruimte beschrijft.

Dit brengt ons aan het einde van een relatief simpele etappe en nu kunnen we beginnen aan de slotetappe: de laatste paragraaf van het artikel van Einstein over de algemene relativiteitstheorie.