Reisverslag Georgië

Dag 1, woensdag 2 augustus 2017


Mijn backpack (inhoud: 24 liter)

Toen ik mijn vlucht boekte heb ik gekozen voor de gerenommeerde luchtvaartmaatschappij LOT, het Poolse equivalent van de KLM. Ik had geen trek in allerlei gedoe met prijsvechters dus dit leek mij een goede keus. Dat was een verkeerde inschatting. LOT is afgedaald naar de slijkwereld der prijsvechters en verblijft nu in de Hades van Ryanair en consorten. Het is even wennen aan het idee, maar uiteindelijk blijkt de uitwerking alleen maar positief en een steuntje in de rug voor mijn wat-ga-ik-meenemen-beleid. Het was reeds mijn voornemen om ‘light’ te reizen en dat wordt dus ‘extra-light’, want de bagageeisen van LOT zijn nog stringenter dan die van (bijvoorbeeld) Ryanair. De Kosmos had dit reeds voorzien, want de rugzak die ik onlangs heb aangeschaft valt nog net binnen de maximale afmetingen die die zou mogen hebben.

Vandaag stap ik voor (minstens) de veertigste keer in een vliegtuig en ik ga op weg om het 23e land op deze planeet te gaan verkennen: Georgië.
Wanneer ik eenmaal op de fiets zit op weg naar het station treedt eindelijk de rust in. De afgelopen tijd waren er nogal wat ‘dingen’ gaande die door de voorbereidingen voor mijn vakantie heenmarcheerden en ik zat mezelf ook nog een paar keer flink in de weg. Eerst boekte ik het hostel in Tbilisi een dag te vroeg, dus dat moest ik weer rechtzetten, en afgelopen zondag was ik de pincode van mijn creditcard kwijt. Ik had een brief ontvangen met de pincode, maar de pincode staat op zo’n plastic fliebertje dat je eraf trekt en dat fliebertje was ik kwijt en ik had de pincode nog nergens genoteerd. Uiteindelijk vond ik het fliebertje wel, maar dat ging gepaard met de nodige stress. Karel 5.0, 55 jaar oud...

En nu valt eindelijk het vakantiegevoel op z’n plaats.
Dus op naar Schiphol. Het wordt nog een jolige boel onderweg in de trein wanneer een aantal NS-medewerkers via de intercom hun jarige collega, de conducteur, gaan toezingen. Uiteraard levert hem dit ook nog massale felicitaties op van de reizigers. Lachen!

Op Schiphol word ik zeer uitgebreid gecontroleerd en gefouilleerd, en ik niet alleen maar alle reizigers krijgen een uitgebreide langdurige ‘behandeling’. Tientallen veiligheidsmensen zijn continu in de weer met heel veel passagiers en ik vraag mij af: wie betaalt dit allemaal? Wie maakt hier nog winst? Maar goed, zo ben ik nou eenmaal, maakt verder ook niet uit.
Bij vertrek van Schiphol is het trouwens grijs en nat zoals het al weken is. Ik heb een overstap in Warschau waarvoor ik 50 minuten de tijd heb, maar de vlucht naar Warschau is vertraagd. Eerst 30 minuten, dat worden er 40, dan 50 en uiteindelijk staan we allemaal een uur later in Warschau dan de bedoeling was.

Het was trouwens wel een toffe vlucht, want door de vertraging pakte LOT even flink uit: iedereen kreeg een bekertje water en een pennywafel. Gratis! En eventuele vervolgdrankjes waren ook gratis!
Ik zit naast een Bulgaarse mevrouw en bij vertrek roept zij nog even wat hogere machten aan en slaat een kruisje, kennelijk heeft zij beperkt vertrouwen in de goede afloop. We raken uiteindelijk wel gezellig aan de praat. Aan het einde van de vlucht wordt zij door iemand van het cabinepersoneel opgehaald en naar de voorste rij van het vliegtuig geleid, zodat zij als eerste uit het vliegtuig is en wellicht haar vlucht naar Sofia nog kan halen. Dat vind ik dan toch wel heel sympathiek van LOT. Ik vraag gelijk even hoe het met de vlucht naar Tbilisi zit en volgens de steward komt dat helemaal goed.

Warschau Airport

We zijn de duisternis ingevlogen en zetten de landing in boven een sprookjesachtig verlicht Warschau. Een West-Europese stad als Amsterdam baadt in een zee van licht, zeker als je over het kassengebied aan komt vliegen, maar hier is dat veel minder, veel subtieler. En de piloot komt kennelijk met wat te veel snelheid op de landingsbaan, want hij moet echt gigantisch in de remmen. Wanneer we eenmaal buiten het toestel staan merk ik dat het hier in Warschau al aanmerkelijk warmer is dan thuis.
Ik zet de pas er toch maar even flink in en dan blijkt er ook nog een paspoortcontrole tussen te zitten. Eenmaal aangekomen bij de gate blijkt het toestel naar Tbilisi ook een uur vertraagd, er is inderdaad niets aan het handje. Staande bij de gate gaat het ineens voor mij heel echt voelen. Een vliegreisje naar Polen, och, daar ben ik al zo vaak geweest. Maar nu, de etappe naar Tbilisi, nu wordt het echt fun. Ik word steeds blijer.

Dag 2, donderdag 3 augustus 2017


Tbilisi Airport

Terwijl de Boeing de zwarte nacht klieft gaat de woensdag over in de donderdag. Alle passagiers, op één na (die zit te lezen), proberen wat nachtrust te pakken. Ik ook, maar dat lukt niet zo goed in deze harde voorgevormde stoelen die eigenlijk te klein zijn voor mij. Toch dommel ik een paar keer weg en daardoor zijn we (gevoelsmatig) verrassend snel in Tbilisi. En door het uur vertraging begint het daar al weer te dagen. Om kwart over drie Nederlandse tijd sta ik in de hal van Tbilisi Airport en omdat ik intussen twee tijdzones ben opgeschoven is het inmiddels kwart over vijf.
Tbilisi Airport stelt helemaal niets voor. Er zijn een stuk of vijf loketten waar je geld kunt wisselen, vijf loketten waar je een auto kunt huren (die alle vijf gesloten zijn) en nog twee gelegenheden waar je SIM-kaarten kunt kopen, en een geldautomaat, dat is alles. Ik had hier even uitgebreid willen smikkelen, maar dat gaat dus niet door.

Voor het gebouw staat een bus die mensen naar de stad brengt. Ik sta daar samen met wat andere backpackers uit te zoeken hoe het openbaar vervoer hier werkt en het blijkt dat je daar kleingeld voor nodig hebt. Dat hebben we niet, want we zijn net allemaal langs de geldautomaat geweest. Dit leggen we aan de buschauffeur voor en hij gebaart ‘stap maar in’ en brengt ons vervolgens gratis naar de stad.

Tbilisi

En zo loop ik ’s morgens om half zeven door Tbilisi op zoek naar een gelegenheid waar ik uitgebreid kan gaan smikkelen. Ik loop langs een man die aan een tafeltje voor een eetgelegenheid zit te eten en hij spreekt mij aan en hij stelt voor om zijn maaltijd met mij te delen. Okee, gaan we doen, en hij deelt zijn maaltijd keurig (hij raakt met zijn handen niet het eten aan) doormidden, hij haalt een extra beker aan de bar en we eten samen zijn maaltijd op en hebben het intussen over God en de wereld. En het eten, khachapuri, is nog heel lekker ook!


Het fort van Tbilisi

We nemen hartelijk afscheid en ik ga verder met het verkennen van het oude deel van Tbilisi. Ik beklim de heuvel waarop het fort staat (de restanten daarvan) en ik heb een magnifiek uitzicht over de stad. Er staat daar een tentje met flessen gekoeld water en daar heb ik uiteraard wel zin in, want de temperatuur ligt al riant boven de dertig graden en ik drijf van het zweet. Wanneer ik met een bankbiljet wapper om te betalen wordt dat weggewuifd en ik krijg het flesje gratis. Ik zet mij op een bankje in de schaduw en geniet van het koele drinken. Wanneer het flesje leeg is krijg ik gratis een tweede. De man biedt mij ook een choersgella aan, het ziet eruit als een worst, maar het is een soort walnootvulling met een druivengeleiomhulling. Lekker! Op een gegeven moment duikt hij in zijn souvenirkraam en geeft mij een souvenir van Tbilisi. Er komen heerlijke sinaasappels op tafel die ik natuurlijk ook niet af kan slaan. En intussen hebben we het over God en de wereld (ook al is zijn Engels minimaal). Wanneer tenslotte ook nog de wodka open gaat bedank ik voor de eer en ik vervolg mijn weg.


Moeder Georgië

Het begint mij te dagen dat het niet zo simpel is om hier van je geld af te komen. Ik heb verderop in de dag een pizza naar binnen geschoven, ik heb meerdere flessen water gekocht en een museum bezocht en ik ben nu in totaal ruim drie euro armer...
Later ontdek ik dat op vele plaatsen in de stad kranen staan waar je drinkwater uit kunt tappen, dus die uitgave had ik mij zelfs ook nog kunnen besparen. En nu zit ik in het hostel en de gastvrouw heeft een heel bord met de heerlijkste perziken ooit voor mij neergezet. Dat kan ik natuurlijk niet weigeren. En ja, ook gratis.

Dag 3, vrijdag 4 augustus 2017

Ik ben gisteravond vroeg naar bed gegaan, want ik kon mijn ogen amper meer open houden, en ik slaap heerlijk de klok rond. Het hostel heeft twaalf slaapplaatsen die allemaal bezet zijn. Zoals ik op internet las: “a hostel provides twice the fun for half the price” (een hostel verschaft dubbel plezier voor de halve prijs), en dat geldt ook hier. Twaalf mensen uit alle windstreken die allemaal uit hun rugzak leven, het is zo’n fijne atmosfeer. Wie heeft in vredesnaam ooit hotels uitgevonden? Ergens heeft het iets van een hippie-omgeving, maar dan zonder drugs, tabak en alcohol. Ontbijten met (onder andere) Iraniërs en een Wit-Rus, hoe leuk wil je het hebben?

Sowjet-kenmerken

Het hostel wordt gerund door een Engelsman en zijn Iraanse vrouw. Ze hebben elkaar ooit ontmoet in Iran, ze zijn getrouwd, maar aangezien zij onwelkom is in Groot-Brittannië en hij onwelkom is in Iran zijn ze hier neergestreken. Ze leven van hun hostel-activiteiten en tijdens de wintermaanden zijn ze weg en bezoeken hun wederzijdse families. Het is een geweldig sfeervol pand met sowjet-kenmerken: niet onderhouden, draden en leidingen die her en der uit de muur hangen en nog wat van dat soort dingen. Binnen het hostel zelf is alles piekfijn voor elkaar.


De Vredesbrug

Sint George (in gevecht met de draak)

Tbilisi is prachtig, het is een mix van oud en nieuw, van het sowjet-verleden en het westerse heden, van rijk en arm, van Mercedessen en Lada’s, en in dit jaargetijde: heet. Gelukkig kan ik daar goed tegen, heb ik mijn pet mee, en verder is het een kwestie van blijven eten en vooral drinken. Het aantal bedelaars valt op zich mee, maar er zitten een paar vasthoudende types (letterlijk) tussen. Gelukkig verstaan ze Nederlands, want kreten als “flikker op!” begrijpen ze heel goed. Naar Oost-Europees gebruik wordt er intensief geclaxonneerd in het verkeer, en er is iets heel bijzonders met de bomen. In Nederland heb je krekels: je ziet ze niet, maar je hoort ze wel. Dat heb je hier in de bomen. Wanneer je ergens loopt met veel bomen, bijvoorbeeld een parkje, dan overstemt dit geluid ruimschoots al het andere. Je ziet niets maar het is echt een lawaai van jewelste. Heel apart.
Verder merk ik duidelijk dat ik ben opgeschoven richting Azië. Nogal wat mensen zijn anders, zijn Aziatischer, Arabischer, donkerder en haar is alom zwart. Het is ook heel gewoon om gesluierde vrouwen te zien of vrouwen met boerka’s.
Er zijn ook best wel veel Russen aanwezig (terwijl de relatie met Rusland op z’n zachtst gezegd gespannen is) en Arabieren-met-geld uit Dubai en Syrië. Deze Arabieren kopen nogal wat prominente panden op of soms een hele straat (is mij verteld), voor hen is Georgië immers heel goedkoop.
De opschriften die je ziet in het straatbeeld zijn dan ook in het Georgisch en eventueel met Engels onderschrift, of Russisch, of Arabisch, of Hebreeuws (in de Joodse wijk).
Er is zoveel te vertellen, want wat ook bijzonder is, is dat je zowel auto’s ziet met het stuur links als rechts. En wat ook opvalt is hoe weinig gezag de politie heeft, een politieauto met zwaailicht kan claxonneren wat ie wil maar er wordt echt geen ruimte gemaakt door de andere automobilisten. Tot zover de algemene obervaties.


Sev (in het groene T-shirt) en een deel van de groep

Ik dacht: vandaag ga ik mij eens als een echte toerist gedragen en ik doe mee aan een stadswandeling-met-gids (ja, ook gratis). De gids, Sev, is een Oekraïner die hier als gids werkt en leeft van de fooien die hij krijgt (of niet). Het is een leuke gast die niet een of ander standaardverhaal vertelt (“u ziet hier aan de rechterkant een kerk uit 1783, bla-bla-bla”), maar met veel enthousiasme en inzet leuke inside stories op de bühne brengt. Dus ik weet nu dat Georgië genoemd is naar Sint George en dat zelfs tegenwoordig nog een kwart van de mannelijke baby’s de naam George krijgt.
We zijn met een groep van ongeveer 25 personen en aan het begin stelt iedereen zich even voor en vervolgens stelt Sev voor om high-fives te geven aan mensen die je nog niet kent. Hij bedoelde waarschijnlijk de mensen die naast je staan, maar ik ga enthousiast de hele kring rond om iedereen te high-fiven wat ook nog een beetje navolging vindt. Lachen! Het ijs is gebroken en we gaan op pad.


Heilig water

Met Sev als toergids kom ik op heel veel plaatsen waar ik gisteren nog niet geweest ben en wordt het stomste standbeeldje ineens een fantastisch verhaal, maar ook kerken en moskeeën zijn allerminst saai, en zwerfhonden zijn ineens een interessant fenomeen. Hij legt terloops uit hoe je de overkant van een drukke straat kunt bereiken, want ook hier in Georgië trekt niemand zich iets aan van de belijning op straat en verkeerslichten zijn er nauwelijks, en hoe je bedelaars van je af houdt.
We zijn onder andere met de kabelbaan geweest, we hebben een wijnproeverij bezocht (waar ze ook Stalin-wijn verkopen), ik heb mijn bidon bijgevuld met heilig water (wat kan mij nog gebeuren?) ...


De waterval waaronder ik gedouched heb

... en we hebben door een soort canyon(netje) gelopen die uitkwam bij een waterval. Daar stonden heel veel toeristen selfies en ussies te maken, maar ik dacht: het is veertig graden, ik ga eronder staan. Dus die kan van mijn bucketlist: douchen onder een waterval. Nee, dit kreeg geen navolging van anderen (was wel lachen geweest, een spontane wet-T-shirt contest).


Zwavelbaden (inderdaad, die ruik je al van verre)

Nog even over de warmte, dat is een fenomeen op zich en vraagt wat aanpassing. Normaal loop ik bijvoorbeeld altijd met twee treden tegelijk een trap op en dat is iets wat ik hier snel afgeleerd heb. Ik ben de hele dag bezig met drinken, liter na liter gaat door mijn keelgat, maar sinds ik vanochtend uit bed kwam (meer dan twaalf uur geleden) heb ik nog niet weer geplast. Amazing! Je ziet ook regelmatig terrassen met zonneschermen waar watersproeiers/-verstuivers aan vast zitten. Maar geen enkele druppel krijgt ooit de kans om de grond te bereiken...

Dag 4, zaterdag 5 augustus 2017

Ik heb mij ingeschreven voor een toer naar Kazbegi, een stadje in het noorden van Georgië vlakbij de Russische grens. Het gezelschap bestaat uit een Frans stel, twee mannen uit Saoedi-Arabië en ondergetekende. En de chauffeur uiteraard. De toer zou om tien uur van start gaan, maar er is één klein probleem: de chauffeur komt niet opdagen. Er wordt druk gebeld door het organiserende bureau en na ruim een half uur komt de chauffeur opdagen. Hij zegt nog even sorry, en dan kunnen we echt op weg gaan. Waarom Kazbegi? Omdat het helemaal in het hooggebergte van de Kaukasus ligt en ik vind bergen prachtig. Wat we verder onderweg nog tegenkomen is voor mij extra.

Koeien op de snelweg

Koeien op een brug

Gereden worden is heerlijk, ik zit voorin in de mini-van (heb ik bedongen bij de reservering vanwege mijn lengte) en ik kan onbekommerd van de omgeving en het uitzicht genieten. Alle soessa is voor de chauffeur, zoals de gaten in de weg, putdeksels die los liggen of geheel ontbreken, rechts ingehaald worden of gesneden worden, vee op de weg en zo kan ik nog wel even doorgaan. Er loopt hier trouwens heel veel vee op de (snel)weg, zowel koeien en stieren als paarden. Het interesseert de dieren totaal niet dat auto’s met hoge snelheid op enkele decimeters afstand (of minder) passeren en ze blijven onverstoorbaar staan of liggen. Een opmerkelijk iets is dat de koeien, en het zijn er best veel, er van houden om samen te scholen op bruggen. Kennelijk ligt het wel lekker tegen de reling van een brug. Een gevolg is wel dat meerdere bruggen veranderen in stinkende spekgladde poelen koeienflats.
Zoals het een echte Oost-Blokker betaamt haalt onze chauffeur aan de lopende band in terwijl deze auto het stuur aan de rechterkant heeft. Dat is uiteraard een extra handicap, want om zijn inhaalmanoeuvre voor te bereiden moet hij eerst helemaal rechts van zijn voorganger gaan rijden om te kunnen zien wat er aan komt en daarna moet hij helemaal naar links om in te halen. Op het moment dat hij gaat inhalen komt hij dus vanuit een blinde hoek...
De hele dag door hebben we nagenoeg continu aan één kant van de weg een steile berghelling. Op een gegeven moment staat ineens alles stil. Er is net een aardverschuiving geweest en een groot stuk bergwand is op de weg geschoven. Hulpdiensten zijn reeds ter plaatse en druk in de weer om de weg weer begaanbaar te maken. Om beurten rijden de auto’s voorzichtig aan de vrije kant van de weg door de berm om de puinhoop heen.
Onderweg wordt het ook duidelijk hoezeer Georgië een grensland is tussen Europa en Azië. Ik zie borden “Ankara 995” en “Istanbul 1715”, maar ook “Teheran 1240”. Ook de kentekens van de vrachtwagens maken duidelijk dat er vanaf hier verder Azië ingereden wordt. Vrachtwagens uit Azerbeidzjan en Kazachstan zie je veel.
Ter info: een liter benzine kost hier zeven duppies.


Het stuwmeer

Het klooster van Kazbegi

Onze eerste halte is een stuwmeer, aangelegd tijdens de sowjet-periode. Mooi. We stoppen bij enkele kerken en kloosters. Prachtig. Maar alles wordt overstemd door de overweldigende omgeving. Na iedere berg komt er eentje in zicht die nog groter en hoger is dan de voorgaande. Het is fantastisch! Nog niet zo heel lang geleden was ik in Oostenrijk en Zwitserland, maar dat is vergeleken hierbij een saai toeristisch heuvellandschap. Ik kijk mijn ogen uit naar deze schoonheid van de werkelijkheid.
In Kazbegi stappen we over in een vierwielaangedreven minibus. Hiermee rijden we over een rotspad met megakuilen verder de berg op. Echter, wij zijn niet de enigen. Een stel monniken heeft ooit bedacht om bovenop deze berg een klooster te bouwen en minstens honderd van deze busjes (ik ging natuurlijk gelijk tellen) rijden de hele dag door toeristen de berg op en af voor bezichtiging van dat klooster. Over een pad dat vaak niet breder is dan twee meter en onderweg moeten heel veel busjes elkaar passeren. Verkeerschaos in the middle of nowhere.
Het moet gezegd, het is een mooi klooster, maar bovenal een spectaculair uitzicht. Een van de toppen torent meer dan vijf kilometer de hemel tegemoet. Ik kan er geen genoeg van krijgen om er naar te kijken.
Morgen rijdt er één voertuig minder de berg op, want op de weg terug naar beneden zien we dat er net eentje in de afgrond is gevallen...


De Kaukasus
Zoals gezegd zijn we vlak bij de Russische grens. De oorlogsgebieden Tsjetsjenië, Ingoesjetië en Dagestan liggen hier nagenoeg om de hoek, een raar idee. Ook rijden hier heel veel Russische auto’s met toeristen die hun vakantie gaan doorbrengen (of hebben doorgebracht) aan de Zwarte Zee.

Het is al donker wanneer we weer terug zijn in Tbilisi. Hoog in de bergen was het relatief koel met een temperatuur van ongeveer 25 graden (toch nog), maar hier in Tbilisi is het nu, terwijl het al donker is, nog ruim dertig graden. Blijven drinken!

Dag 5, zondag 6 augustus 2017

Over het algemeen is men het er volgens mij wel over eens dat Hitler en Stalin de grootste klojo’s van de twintigste eeuw waren. In Rusland ligt dat een pietsie anders en woedt nog steeds de discussie of de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog verslagen zijn dankzij Stalin of ondanks Stalin. En hier in Georgië ligt het een heel stuk anders, want Stalin is een Georgiër, een zoon van dit volk en daar is men trots op. Een kleine honderd kilometer westelijk van Tbilisi ligt Gori en daar heeft Stalin de eerste jaren van zijn leven gewoond. Dus daar voert de reis vandaag heen.

Ik arriveer ruim op tijd op het centraal station van Tbilisi voor de trein van half elf naar Gori. De trein wordt ook aangegeven op de beeldschermen, maar om de een of andere reden kan ik geen kaartje meer kopen. En de volgende trein gaat pas over vijf uur. Het alternatief voor de trein is de minibus, de marshrutka, waarvan er zeer velen dit land doorkruisen. De marshrutka’s die naar andere steden gaan vertrekken echter niet vanaf het centraal station, maar vanaf een andere plek in Tbilisi. Ik kan daar heen met de metro. Na wat gevraag kom ik erachter waar het eerstvolgende metrostation is en in het station hangt Engelstalige uitleg hoe de metro werkt. Nu moet ik er nog achter komen welke lijn ik moet hebben en in welke richting, en ook dat lukt uiteindelijk. De laatste man aan wie ik het vraag begint spontaan aan andere reizigers te vragen wie er ook naar Gori gaat. Hij vindt uiteindelijk een man en koppelt ons aan elkaar en dat wordt mijn gids naar de Gori-marshrutka. Dat is geen overbodige luxe, want de busjes staan niet op de meest zichtbare plaatsen en geven alles in het Georgisch aan. Bij ieder busje zit een stuk karton achter de voorruit waarop staat geschreven waar die heen gaat, maar ik kan dat niet lezen. Uiteindelijk zit ik met 25 (!) andere mensen opeengepakt in een marshrutka (ook het gangpad wordt volgezet met zitplaatsen) en kom ik vlot in Gori.

Het ouderlijk huis van Stalin

“Hier werd op 21 december 1879 I.V. Stalin geboren
en bracht hij tot 1883 zijn kindertijd door.”

In Gori ademt alles Stalin. Er is een Stalinstraat, Stalinavenue, Stalinplein en nog veel meer. Overal zijn Stalin-souvenirs te koop, maar er is ook Stalin-wijn en Stalin-wodka beschikbaar. Het ouderlijk huis van Stalin uit de jaren 1880 staat er nog en daar is een soort tempel omheen gebouwd. Gori is een soort Mekka of Jeruzalem en dit kleine huisje is hét! Terwijl het op zich niets voorstelt en je kunt niet naar binnen kijken. En zoals met alle heiligdommen: je kunt het ook niet aanraken.

Achter het huisje staat het Stalin-museum met een uitgebreide levensbeschrijving van de man van staal. Alles in het museum is een lofzang op de besnorde kabouter (Stalin was maar klein) en over alle miljoenen mensen die door hem het leven lieten wordt met geen woord gerept. Maar goed, ieder land beschrijft zijn eigen geschiedenis doorgaans belachelijk gekleurd, en de Georgiërs en Russen (en Nederlanders) zijn daarop geen uitzondering.


De tempel die om het huisje is heengebouwd

De badkamer van Stalin in de treinwagon

Naast het museum staat de treinwagon van waaruit Stalin regeerde wanneer hij op reis was. Inclusief keuken, slaapkamer, badkamer en alles wat je verder maar nodig zou kunnen hebben als nummer één van de Sowjet-Unie. Bij het museum ontmoet ik een groep seniore Nederlanders die rondreizen in Georgië en Armenië. Ik heb nog even een babbeltje met de begeleidster: Ingrid. Leuk!


Uitzicht vanaf de grottenstad

De grottenstad met bovenop het kerkje

Met de trein zou ik onderweg uitgestapt zijn in Uplistsikhe waar de grottenstad is. Na weer wat zoeken vind ik een marshrutka die mij naar Uplistsikhe brengt (een andere marshrutka brengt mij ‘gewoon’ even naar het vertrekpunt van de betreffende marshrutka) en vervolgens moet ik nog een kilometer wandelen en ben ik bij cave-city.

Ooit, duizenden jaren geleden, hebben mensen bedacht om hier hun woonplaats uit te hakken in de rotswand van de bergen. Hoe kun je het bedenken, wat een werk! Woningen, opslagruimten, gemeenschapsruimten, werkplaatsen, het is er allemaal. Het is uiteraard heet, maar het waait er ook heel erg hard. Het water drinken gaat in een hogere versnelling. En een stel monniken heeft later nog eens bedacht om bovenop een kerkje te bouwen. Laten we eens even enkele tientallen tonnen steen de berg op sjouwen. Het resultaat is wel heel fraai.

Wanneer ik weer beneden ben zit daar Ingrid te wachten, want ‘haar’ clubje is inmiddels ook aan het rondzwerven op en in de berg en op dat soort momenten heeft zij even vrijaf. We hebben een geweldig gesprek met veel lol en verbinding en na een hele tijd zet ik mij weer in beweging op zoek naar een marshrutka die mij terug brengt naar Gori.

Dan volgt een onaangename ontknoping van deze prachtige dag. Wanneer ik mij meld bij mijn onderkomen voor deze nacht blijkt dat ik per auto naar een adres buiten Gori gebracht ga worden om daar te overnachten. Dit adres, waar ik nu sta, hebben ze alleen maar opgegeven ‘omdat dat gemakkelijker is te vinden’. Ik ben helemaal aangeslagen. Ik wil niet zomaar ergens naar toe gebracht worden, ik wil niet ergens buiten Gori slapen. Ik wil wanneer ik dat wil zomaar even naar buiten kunnen om nog wat in de stad te eten of rond te kijken of wat dan ook. Ik probeer bij mezelf te blijven, ik probeer mijn opties te doordenken, maar ik word ook kwaad. Ik word opgelicht en ingeperkt in mijn vrijheid. Het was een intensieve en hete dag en ik wil nu eigenlijk helemaal geen gedoe, zeker dit niet. Het enige alternatief is om vannacht op een bankje in het park te slapen en daar heb ik geen zin in. Dus nu zit ik in een snikhete kamer zonder airco of ventilator en de ramen kunnen niet open. Gaandeweg word ik weer wat rustiger, maar dit had ik mij heel anders voorgesteld.

Dag 6, maandag 7 augustus 2017

Mijn gastheer snapt volgens mij oprecht niet wat voor streek hij mij levert. “Don’t you like this house?” (Bevalt dit huis je niet?) vraagt hij meerdere malen. Met het onderkomen is op zich niets mis, want alle gemakken zijn aanwezig inclusief een super-televisie. Dat al die gemakken mij geen zier interesseren en dat ik alleen maar wil kunnen gaan en staan waar ik wil is ver buiten zijn universum. ’s Morgens doet hij alle moeite om mij een perfect ontbijt voor te zetten, wat ik ook echt wel waardeer, en daarna brengt hij mij naar het plein waar de marshrutka’s staan. Dan komt een spannend moment (voor Karel 5.0): het afrekenen. Dit was met afstand de duurste overnachting die ik geboekt heb voor mijn trip (want er is niets anders in Gori) en ik ben absoluut niet van plan dat te gaan betalen. Ik vertel hem wat ik wel ga betalen (wat voor Georgische begrippen nog steeds riant is) en hij is duidelijk niet blij. Ik geef hem zijn geld, stap uit en zonder nog een woord te wisselen rijdt hij weer weg. Goed gedaan Karel!

De marshrutka

Nu is het zaak om mijn blijheid weer te hervinden terwijl de volgende uitdaging zich al weer aandient. Ik wil verder naar het westen naar Kutaisi, maar welke Marshrutka moet ik daarvoor hebben? Binnen het marshrutka-systeem gaat alles, gesproken en geschreven, in het Georgisch. Ik vind een marshrutka die naar Batumi (aan de Zwarte Zee) gaat (het woord “Batumi” kan ik inmiddels grotendeels decoderen), maar nu moet ik nog weten of die ook in Kutaisi stopt. De chauffeurs van de marshrutka’s zijn in geen enkel opzicht herkenbaar als chauffeur, en wie de chauffeur is merk je pas op het moment van vertrek. Tot dat moment is de chauffeur slechts één van de vele schreeuwende mannelijke rokende ongeschoren dikbuiken die zich met alles bemoeien. Dus ik begin zomaar aan mensen bij de bus te vragen “Kutaisi?”, wijzend naar de bus en op een gegeven moment heb ik wel het gevoel dat het goed komt. Gisteren, in de marshrutka naar Gori, zaten we als sardines in een blik (ook het gangpad werd volgezet met stoeltjes) en hield ik mijn backpack op schoot. Nu besluit ik mijn backpack achterin bij de bagage te leggen zodat ik zelf wat meer bewegingsruimte heb. Wat ik echter niet voorzag is dat onderweg nog wel eens bagage in en uit gaat en op een gegeven moment wordt een grote zware tas op mijn backpack gekwakt en ik denk “mijn laptop!”. Volgende keer de backpack dus weer op schoot.

Als ervaren marshrutka-gebruiker weet ik inmiddels wel wat de beste zitplaatsen zijn en dat nut ik ongegeneerd uit: ik zit bij de deur (alleen de voorbank naast de chauffeur is volgens mij nog beter). Hier heb ik extra beenruimte en een uitstekend uitzicht naar buiten. Vlak bestaat niet in Georgië, anders zou je bepaalde delen kunnen duiden als steppe. In het noorden zijn altijd de hoge Kaukasus-toppen zichtbaar (met sneeuw) en verder gaat het veel omhoog en omlaag wat prachtige uitzichten oplevert. De stoelen zijn uiteraard niet voor mijn lengte gemaakt, maar afgezien daarvan is het reizen met de marshrutka een aanrader. In verband met de hitte besluit de chauffeur op een gegeven moment met deels open deur te gaan rijden. Dat vind ik wat minder, maar gelukkig gaat de deur na een tijdje weer dicht. Verder komen we onderweg de gebruikelijke ‘dingen’ tegen: een vrachtwagen die net verongelukt is, vele koeien op de weg en nog meer van dat soort ver-van-huis-gein. Na twee uur rijden gaat de marshrutka aan de kant en wordt er een kwartier pauze ingelast. Kort daarna zijn we in Kutaisi en de chauffeur draait zich om naar mij wanneer voor mij het moment daar is om uit te stappen.

In Tbilisi werd heel veel ook in het Engels aangegeven, maar sinds ik daar weg ben is dat voorbij. Eetgelegenheden zat, maar alles is in het Georgisch en mensen die Engels spreken zijn zeeeeer schaars. Ik moet plaatjes hebben of kunnen aanwijzen wat ik wil hebben. Ik loop langs een McDonalds, maar dat ga ik niet doen. Een eindje verderop vind ik een tentje met plaatjes én het eten ligt zichtbaar in de vitrine. Bingo! Ik zet mij op een bankje en ga er eens lekker voor zitten. Intussen ben ik geamuseerd getuige van de onvoorstelbare verkeerschaos hier. Regelmatig is iedereen aan het toeteren terwijl niemand kan bewegen. Lachen! Dan komt een agent de boel vlot trekken. De stoplichten worden overruled, niemand mag meer afslaan, iedereen moet rechtdoor en verdraaid, na een tijdje is het kruispunt vrij. Voor een tijdje. Vlakbij ‘mijn’ bankje is een publieke kraan waar ik mijn handen kan wassen en mij kan opfrissen. En vlakbij ‘mijn’ bankje is een winkeltje dat aardbeiencornetto’s verkoopt! Langzaam maar zeker komt de Zen weer terug in mijn vakantie.

Bagrati kathedraal

Ik ga op weg naar mijn hostel. Thuis heb ik een plattegrond van de omgeving van mijn hostel geprint, maar ik bevind mij ‘buiten’ mijn kaartje. Dus met de Zon als kompas ga ik op weg. Ik vraag een aantal malen de weg en op een gegeven moment gaat een vrouw iemand opbellen die Engels spreekt en die mij verder kan helpen. Linksom of rechtsom helpen de Georgiërs mij met handen en voeten in de goede richting. Wanneer ik onderweg even op een bankje zit te rusten komt er een jongedame naar mij toe die mij in het Engels aanspreekt en vraagt of ik hulp nodig heb. Zo zijn de Georgiërs. Vlak bij het hostel is het nog even zoeken waar het nou precies is in de doolhof van straatjes, maar ook die laatste horde wordt genomen. Ofschoon ik een bed had geboekt in een slaapzaal-met-stapelbedden krijg ik een kamer voor mij alleen aangeboden. “Voor dezelfde prijs?” vraag ik. Ja, voor dezelfde prijs. En ik krijg gelijk een grote fles gekoeld water aangeboden. Gratis. Zo zijn de Georgiërs.

Er zitten hier een aantal hostels op een kluitje en die waar ik zit is volgens mij de minst bezochte (op dit moment). Dan arriveren er twee vrouwen die oorspronkelijk in een ander hostel zouden zitten, maar dubbel geboekt waren en doorverwezen zijn hier naar toe. Het zijn twee Nederlanders: Astrid en Sylvia. Om de beurt vragen ze of ik mee ga eten, want zij hebben nog niet gegeten. Ik moet dat even laten bezinken, want ik heb al in de stad gegeten en eigenlijk heb ik niet zo veel honger, maar uiteindelijk zeg ik graag ja. Het oude centrum van Kutaisi is hier vlakbij en de hostelhouder weet een goed restaurant. Daar gaan we heen en het is inderdaad een toffe plek (met airconditioning en een tweetalige menukaart). Uiteindelijk staat toch de hele tafel vol met eten en we hebben een grandioze avond. Het samenzijn is zo ontzettend mooi, om beurten staat bij één van ons de tranen in de ogen. Weer een ontmoeting die de geschiedenisboekjes in kan (in elk geval de mijne). Mijn Zen is helemaal terug!
Het is ook te merken dat we uit dat ‘dure’ Tbilisi weg zijn: we rekenen iets meer dan tien euro af (voor ons samen). En ik krijg mijn aandeel kado van de dames!

Dag 7, dinsdag 8 augustus 2017


Palmbomen in Kutaisi

Dit kleine land heeft minstens één heel groot probleem: er is veel te veel te zien. Er zijn uiteraard de bergen, maar ook woestijnachtig gebied, en binnen een straal van enkele tientallen kilometers zijn er altijd wel diverse bezienswaardigheden. In Georgië kun je je volgens mij probleemloos een paar maanden vergapen. Elke dag dwingt mij keuzes te maken wat ik wel en niet ga bekijken en de temperatuur dwingt mij om voldoende rustmomenten te nemen.
Ik dacht aanvankelijk van Kutaisi “dat is gewoon een provinciestadje”, maar niets is minder waar. Kutaisi is groot en Kutaisi is heel anders dan bijvoorbeeld Tbilisi. Er groeien hier palmbomen, bananenplanten, agaves en nog wat meer exotica. Kortom, het oogt sub-tropisch. En de Arabieren, en dus ook de boerka’s, zijn ineens uit het straatbeeld verdwenen.

Na hartelijk afscheid genomen te hebben van Astrid en Sylvia begin ik maar eens om de oude binnenstad te verkennen. Het is al een belevenis op zich om er doorheen te kuieren en alles in me op te nemen, het is ‘gewoon’ een hele andere wereld en het ver-weg-van-huis-gevoel is nadrukkelijk aanwezig. Mensen zijn anders, gebouwen zijn anders, bomen en planten zijn anders. Ik kan het niet precies verwoorden, maar ik geniet in elk geval volop.

Op een gegeven moment loop ik langs een soort hal waar bloemen en boeketten verkocht worden. Mijn bloemist-genen spelen op en ik ga binnen even rondkijken om te zien hoe dat hier gaat. In de hal zijn een stuk of tien vrouwen aan het werk met het maken van boeketten en bloemstukken. Ik oog in het algemeen al bekijks door mijn verschijning die heel erg niet-Georgisch is, maar een man die met interesse een bloemisterij bezoekt is kennelijk heel bijzonder (dat kan ik mij goed voorstellen). De vrouwen hebben schik om mij, dat is duidelijk. Eén van hen begint naar mij te roepen “hello, hello” (hallo, hallo). Wanneer ik haar aankijk vraagt ze “Deutsch? Deutsch?” (Duits? Duits?). “Olandia” (Nederland) antwoord ik en dan zegt zij “ah, Saakashvili Sandra” (Saakashvili was president van Georgië en Sandra, zijn vrouw, is Nederlandse). Ik laat haar merken dat ze het precies goed heeft en we hebben de grootste lol, eigenlijk om niets. Ik weet het, het is eigenlijk een anecdote van niks, maar ik loop een half uur later nog met een grote glimlach op mijn gezicht om de lol die die vrouw en ik gehad hebben. De boeketten waren trouwens prachtig, met bloemen die ik nog nooit gezien had.


De rivier die door Kutaisi stroomt

Gisteren en eergisteren woei het keihard, maar deze hittestorm is vandaag gaan liggen, het is nu weer ‘gewoon’ heet. Ik loop in mijn allerlaagste versnelling te kuieren, maar mijn T-shirt is heel snel alweer drijfnat en het water druipt van mijn hoofd. Dat zie ik eigenlijk nooit bij de Georgiërs, hoe doen ze dat toch?


Druipstenen

Een eindje buiten Kutaisi ligt “de grot van Prometheus”, zo genoemd omdat volgens de overlevering hier de berg was waar Prometheus aan vastgeketend zat. Dat betekent weer met de marshrutka op pad, ditmaal met een overstap ‘ergens’. Ik krijg steeds meer lol (en ervaring) met het marshrutka-systeem en op korte afstanden rijden de marshrutka’s routes die nummers hebben. Op het bord dat ze achter de voorruit hebben staat een hoop onleesbaar Georgisch geschreven plus een nummer. En dát kan ik lezen! Zo kom ik vlot bij de grot.

De grot is van een adembenemende schoonheid. De meest fantastische vormen en kleuren komen langs tijdens een onderaardse/onderbergse wandeling van anderhalve kilometer. En het is er uiteraard heerlijk koel. De paden zijn niet altijd toppie verlicht en de doorgangen zijn nogal eens minder dan twee meter hoog, dus het is wel oppassen voor lange seniore mannen. Maar het is het allemaal ruimschoots waard.


Bananenbomen in de botanische tuin

Nadat ik in een restaurant mijn warme maaltijd heb genuttigd loop ik nog enkele kilometers om om een botanische tuin te bekijken. Zo maar een avondwandeling en ik pak nog even een juweeltje mee. Mooi opgezet, bankjes van bamboe, hele grote bananenplanten (of zijn het bomen?), echt (sub-)tropisch.

De mensen van het hostel spreken niet één woord Engels, maar zijn wel buitengewoon vriendelijk én attent. Ik kom terug bij het hostel en ik krijg gelijk een bord met pruimen voorgezet (en alle fruit en groente is hier zo veel lekkerder en voller van smaak, en ja, ik probeer objectief te blijven, en ja, ook gratis). Zo gauw ze zien dat ik ook een fles water heb gekocht wordt er al een glas voor mij neergezet. Mijn eerste yoghurtje heb ik amper open getrokken of er wordt al een lepel gebracht (keurig in een servetje gewikkeld). Ik zit buiten op een bankje dit verhaal in te typen en ze merken dat ik mijn toetsenbord slecht kan lezen (het is al donker) en hop, het buitenlicht wordt voor mij aangedaan. Zo zijn de Georgiërs.

Dag 8, woensdag 9 augustus 2017

Vandaag is de laatste etappe die in westelijke richting voert. Ik ga naar Batumi, een badplaats aan de Zwarte Zee. Dat betekent dat vanochtend weer in het teken staat van de marshrutka, eerst heb ik er eentje nodig die mij naar het centrum brengt en daar vind ik vlot de marshrutka naar Batumi. Ik neem plaats en op een gegeven moment zijn alle plaatsen bezet en kan er vertrokken worden. Maar kennelijk is er iets aan de hand, want we blijven staan en er wordt veel meer geschreeuwd dan anders, zelfs door de vrouwen. Het probleem blijkt een meisje te zijn die een plaats inneemt waar ook een volwassene kan zitten en er vormen zich twee kampen. Het meisje moet uiteindelijk het veld ruimen en brengt de reis niet-zittend door, zo nu en dan hangt ze tegen haar moeder aan. Gelukkig blijft ze er goedlachs onder.

De weg naar Batumi is een klassieke weg-uit-het-voormalige-Oostblok. Tweebaans, ramvol met verkeer, gaat dwars door allerlei dorpen en stadjes, en natuurlijk de curiosa: onder het vee dat op de weg loopt bevinden zich nu ook varkens. Ik zie ook een zeug met biggen rondscharrelen. Onderweg zegt een opa tegen de chauffeur dat hij eruit wil (echte haltes zijn er niet, je roept gewoon wanneer je eruit wilt), de marshrutka stopt, de opa stapt uit, zijn kleinkinderen staan hem daar op te wachten en hij knuffelt ze allemaal even heel hartelijk en hij gaat snel de marshrutka weer in, en de reis wordt vervolgd. Zo schattig! Kun je je dat voorstellen in Nederland?
Verder worden we nog een keer aangehouden door de politie, want onze chauffeur heeft lak aan alle verkeersregels en dat komt hem nu duur te staan.
Mijn backpack ligt dit keer in een bagagerek boven de hoofden van de passagiers, maar op een gegeven moment gaat de marshrutka zo wild op en neer dat mijn backpack uit het rek valt. Het opaatje schrikt zich wild en ik denk “mijn laptop!”.

Wanneer we de havenstad Poti gepasseerd zijn wordt het vrachtverkeer een heel stuk minder, maar van lekker doorrijden is totaal geen sprake. De laatste vijftig kilometer van Poti naar Batumi rijden we langs de Zwarte Zee en dat betekent vijftig kilometer lang de boulevard-van-Scheveningen en file rijden. Rechts van mij zie ik non-stop mensen aan het water liggen, alles staat vol met auto’s en kraampjes met koopwaar, en natuurlijk allemaal overnachtingsmogelijkheden. Dit is de meest toeristische plek die ik ooit gezien heb, vergelijkbaar met dat de boulevard van Scheveningen een heel stuk drukker zou zijn én zou doorlopen tot ter hoogte van Amsterdam. Ik begin te twijfelen of het een goed idee was om hier naar toe te gaan.

Het hostel in Batumi had ik thuis al geboekt en ik heb toen ook een kaartje uitgeprint. Ik probeer in te schatten wat de beste plek is om uit te stappen, want dat kan me een hoop zweetdruppels schelen. Ik zit dus zo met mijn kaartje in de hand en de mensen om mij heen beginnen mij spontaan te helpen om mijn probleem op te lossen. Ik stap ergens uit en ik arriveer vlot bij mijn hostel. Daar ben ik blij om.
Het hostel is echt zoals een hostel hoort te zijn: basic en casual en easy living. En met airconditioning. Dit is waar ik mij thuis voel, like! Ik heb nog wasgoed om te drogen, en daarvoor hebben ze een wasrek buiten op straat staan. 's Avonds heb ik nog een goed gesprek met een Egyptische rechter. Hij handelt 400 zaken per dag af!

Ik loop richting de strandboulevard en daar huur ik een fiets. Ik ben helemaal in mijn nopjes, maar ik ben nog geen honderd meter op weg of ik word aangehouden door een agent. Ik mag hier niet fietsen. Verderop hebben ze speciaal een fietspad aangelegd en dáár mag ik fietsen.

Over een afstand van enkele tientallen kilometers hebben ze een fietspad aangelegd en kun je heel relaxed Batumi plus buitenwijken bekijken. Langs een groot deel van het pad staan palmbomen, maar er zijn ook heel veel bananenplanten, agaves, cactussen en meer van dat spul (voor de insiders: aspidistra, cycassen en chamaerops bijvoorbeeld). Al die ziljoenen toeristen brengen uiteraard massa’s geld naar deze regio en dat is te zien. De betonnen sowjet-gebouwen moeten rap wijken voor nieuwbouw en het moet gezegd: Batumi is architectonisch een parel. Er worden niet zomaar honderden giga-hotels uit de grond gestampt, maar ze proberen er echt iets moois van te maken. Kosten noch moeite worden gespaard. En verder in zuidelijke richting zijn graafmachines druk in de weer om nog meer kilometers strand rijp te maken voor de toeristen. En verderop zijn de Turkse bergen zichtbaar met hun toppen verscholen in de wolken.

Alles wat een toerist zich zou kunnen wensen is hier voorhanden. Er zijn zelfs her en der veldjes met fitnesstoestellen waar je gratis terecht kunt. Ik geniet van mijn fietstocht en onderweg loop ik ook nog even de zee in. Hier zijn uiteraard ook Arabische toeristen en dus ook vrouwen met boerka’s. Ik zie ze gaan, gezellig samen met hun man, hij in een zwembroek en zij in een zwarte boerka (zwart absorbeert alle warmte)... Her en der in de bermen ontstaan ook spontane backpacker-campings, je komt echt van alles tegen.
Wat zeg je? Topless? Nee, daar doen ze hier niet aan :(


Een bamboebos

Al dit toerisme heeft uiteraard een keerzijde. Ik was net nog aan het wandelen om negen uur ’s avonds en dan zijn er nog vele kruispunten en wegen waar het verkeer niet of nauwelijks beweegt. Politieagenten doen hun best om de boel vlot te trekken, maar het is vechten tegen de bierkaai. Iedereen staat tegen elkaar te claxonneren terwijl niemand ergens heen kan. Ik snap ook niet dat taxichauffeurs mij blijven vragen of ik een taxi wil, want wandelen gaat hier veel sneller om van A naar B te komen. De infrastructuur is absoluut ontoereikend. En dan die uitlaatgassen...
Uiteindelijk ben ik blij dat ik Batumi gezien heb, maar één nacht blijven is meer dan genoeg (voor mij).

Dag 9, donderdag 10 augustus 2017

Het doel vandaag is om de duizend kilometer die mij van Yerevan in Armenië scheiden te gaan overbruggen en uiteindelijk morgen in Yerevan te staan. Mijn plan was om met de trein terug te gaan naar Tbilisi en vandaar verder te gaan met de nachttrein. Gisteravond ben ik naar het centraal station van Batumi gelopen, maar daar werd mij verteld dat alle treinen voor de volgende dag naar Tbilisi al vol zitten dus de trein kan ik vergeten. Andere opties zijn de marshrutka of de ‘echte’ bus. Ik vind dit daarom best wel een beetje een spannende dag worden, omdat plekjes in de trein kennelijk schaars zijn (dat vertelden ze mij gisteren ook al bij de tourist information, want het is hoogseizoen). Mijn grijze massa gaat daar uiteraard mee aan de haal en ziet mij al stranden in Tbilisi. Ik ga het zien.

De receptionist van het hostel is een Griekse jongeman die hier in Georgië werkt en ook Engels en Russisch spreekt. Het is echt een toffe gast, hij legt mij uit waar de bussen staan, print een kaartje voor mij uit van Google maps, en hij is gewoon heel vriendelijk en behulpzaam en relaxed. Zijn werkdag duurt 24 uur, ’s nachts schuift hij zijn stoel onder het bureau waar hij aan zit en klapt een paneel achter hem naar beneden waar een matras op ligt en waarop hij gaat liggen slapen. Dat zijn nachtrust tig keer onderbroken wordt door mensen die komen of gaan of vragen hebben deert hem kennelijk niet.

’s Morgens loop ik naar het plein waar de ‘echte’ bussen zouden moeten staan en inderdaad staan ze daar. Ik kan zo instappen voor Moskou (Rusland) of Bakoe (Azerbeidzjan), maar een bus voor Tbilisi staat er niet bij. Ik vraag nog wat rond, maar alle vingers wijzen richting de marshrutka dus dat wordt het.
Ik word steeds behendiger in het gebruik, want ook al word ik gelijk de marshrutka in geschreeuwd, ik blijf gewoon buiten rondhangen en stap zo laat mogelijk in. In plaats van opgevouwen ergens achterin verwerf ik op deze manier een veel riantere plek voorin de bus. Nee, niet op het bankje naast de chauffeur, die plaatsen worden door deze chauffeur vrij gehouden voor vrouwen (die hij vervolgens onderweg probeert te versieren, ik denk nog: kerel, je bent een schreeuwende rokende ongeschoren dikbuik, dat gaat niet werken, maar eenmaal in Tbilisi geeft hij een van de twee vrouwen zijn telefoonnummer en ze pakt het graag aan!). Maakt niet uit, ik heb een hele goede plek bij de deur met veel beenruimte en dus een comfortabele reis.

Over dikbuiken gesproken, in verband met de hitte rollen veel mannen hun T-shirt op naar boven en etaleren vrijelijk en onbeschaamd hun corpulente vetmassa’s. Ik vind het een belachelijk gezicht, maar goed, ieder land zijn gebruiken. En nu ik het toch over belachelijk heb: toeristen die hun omgeving lopen te filmen met behulp van een selfie-stick vind ik ook belachelijk. En nu ik toch bezig ben: enkele toeristen hebben een drone bij zich die ze oplaten om alles van bovenaf te filmen. Vind ik ook belachelijk.

De reis met de marshrutka verloopt verder zoals de heenreis. Ergens onderweg is net weer een vrachtwagen verongelukt en in de afgrond gevallen. Omstanders proberen langs de bergwand af te dalen om hulp te verlenen. Verder heeft deze marshrutka bijzonder weinig motorpower dus als slakken beklimmen we onderweg de Kaukasische hellingen.
Tijdens het laatste deel van de reis schampen we Zuid-Ossetië. Het is een apart idee te weten dat de verst vooruit geschoven Russische troepen op sommige plaatsen zich minder dan een kilometer van ons af bevinden. Volgens de reisadvieskaart van het ministerie van Buitenlandse Zaken rijd ik dan ook door knalrood gebied. Ik tuur Zuid-Ossetië in om te zien of ik nog Russische activiteit kan spotten, maar dat is niet het geval. Ik zie wel Georgische soldaten. Dan is er ineens spektakel aan de andere kant van de snelweg: de vlakte daar staat in brand! De rookwolken worden door de harde wind over de snelweg gejaagd en tijdelijk hebben we even nul-zicht.
Onderweg heb ik nog een leuk gesprek met twee Poolse backpackers die naast mij zitten en halverwege de middag sta ik in Tbilisi.


Ik heb een treinkaartje (links op de tafel)!

De uitstaphalte is het centraal station van Tbilisi dus dat komt mooi uit. Ik trek een nummertje en ruim twintig minuten later ben ik aan de beurt (terwijl er twaalf loketten open zijn en er vanuit Tbilisi minder treinen vertrekken dan bijvoorbeeld vanuit Raalte). De vrouw achter de balie spreekt Engels, dat is fijn, en tien minuten later heb ik een kaartje voor de nachttrein naar Yerevan!
Ik ben heel erg blij, zet mij in de stationsrestauratie en neem het er eens goed van. Na een maaltijd en een paar cappuccino’s, en een kort gesprekje in het Frans met een Azerbeidzjaanse mevrouw die tegenover mij zit, ga ik weer op pad om voor de laatste keer Tbilisi te proeven.


Mijn treinkaartje, opgesteld in het Russisch (dan heet ik dus Карлоус Де Влиегер)

Mijn geldwisselbon

De thermometers hier in Tbilisi wijzen gemiddeld 39 graden aan en er staat zo’n wind bij die lijkt te zeggen: ja, sluit je ogen maar, je kunt mij niet weerstaan en ik ga alle haartjes van je armen afbranden. Dat moet je gewoon een keer gevoeld hebben, en kan nu ook van mijn bucketlist af. Ik maak nog even een ommetje door de stad om van mijn laatste Georgische geld af te komen. Wat ik over houd wil ik alvast omwisselen naar Armeens geld, maar ofschoon er heel veel geldwisselkantoortjes zijn die op de gevel claimen naar Armeens geld te wisselen komt daar in de praktijk niets van terecht. Uiteindelijk wissel ik bij een bank naar euro’s, dat kan wel.

Ik wacht in het station op de trein en aan hetzelfde tafeltje zit ook een Iraniër. We raken in gesprek, maar op een gegeven moment staat hij op en gaat naar een hoek van de wachtruimte, spreidt een kleedje uit over de grond en gaat zitten bidden richting Mekka. De mensen kijken er nauwelijks van op.


De trein naar Yerevan

Om 22:15 vertrekt de trein naar Yerevan. Het is snikheet in de trein en tevens een wonderlijke puinhoop. Per coupé bevinden zich zestig mensen, mannen, vrouwen en kinderen, die ieder op een brede plank van ruim minder dan twee meter lang een soort matrasje kunnen neerleggen en daarop kunnen gaan slapen in deze sauna. Ik moet hardop lachen om de bizarheid van deze situatie. Ramen kunnen niet open, alleen voorin de coupé is één raam open. Wanneer de trein gaat rijden ontstaat er daardoor minimale verfrissing en iedereen gaat naar bed. Een uur later lopen er Georgische grenswachten door de coupé die van iedereen de paspoorten innemen. En vlak voor middernacht stopt de trein.

Karel de Vlieger,
augustus 2017