De Afghanen komen

Stel je eens even voor dat niet wij, de westerse landen, maar andere landen op deze aardbol de technologisch meest vergevorderde landen zouden zijn. Niet wij, maar andere landen zijn ‘de ontwikkelde landen’. En vanuit die positie kijken die andere landen naar ons, naar Nederland.

Bijvoorbeeld de Afghanen zien dat zo aan hoe het hier in Nederland reilt en zeilt en ze schrikken daarvan. De Nederlanders hebben wel talloze wetten en regels, zo veel dat niemand er meer enig overzicht over heeft en dat het ook regelmatig voorkomt dat bepaalde regels met elkaar in tegenspraak zijn, maar bovendien worden deze wetten en regels massaal genegeerd. Binnen de bebouwde kom mag je maximaal dertig kilometer per uur rijden, maar er is werkelijk helemaal niemand die zich hier aan houdt. Het stelen van fietsen is uiteraard verboden, maar dit gebeurt op zo’n grote schaal dat aangifte doen bij de politie volkomen zinloos is en door de meeste mensen ook niet meer wordt gedaan want men ervaart het als pure tijdverspilling. De anarchie is zelfs zo groot dat de mensen de overheidsdienaren, zoals politieagenten en ambulancepersoneel, tijdens de uitoefening van hun functie opzettelijk hinderen en er ook niet voor terugdeinzen om klappen uit te delen.

Het is echter niet alleen deze anarchie waar de Afghanen van schrikken, maar ook de toestand van de mensen in het land is ronduit zorgwekkend. Overdag, maar vooral ’s avonds, kijken de mensen massaal naar beeldschermen. Ze staan of zitten naar een klein beeldschermpje te kijken dat in hun handpalm ligt en binnenshuis kijken ze naar grote beeldschermen en zijn ieder besef van de wereld om hen heen kwijt. De weinige mensen die je op straat ziet kijken ook allemaal buitengewoon somber en lachende gezichten zijn een zeldzaamheid. Er is een afschrikwekkende doodsheid over de mensen gekomen waardoor velen zelfs niet meer in staat zijn om zich op eigen kracht voort te bewegen. Ze zijn afhankelijk geworden van allerlei apparaten, zoals elektrische fietsen, brommers, auto’s en treinen om zich van A naar B te verplaatsen en de kosten van de gezondheidszorg rijzen de pan uit. De doodsheid is tot in alle hoeken van de samenleving doorgedrongen. Werkgelegenheid bestaat doorgaans uit het staren naar beeldschermen in een soort flatgebouw, wat ze dan “kantoor” noemen, en naar school gaan wordt aangeduid met “ophokken” omdat van serieus les geven nauwelijks nog sprake is. Er hebben zich recentelijk wel opstanden voorgedaan onder scholieren die écht onderwijs eisten maar dit bleef zonder effect. De alomheersende doodsheid en de daaruit voortkomende enorme vraag naar lichamelijke én geestelijke medische zorg heeft de financiële bronnen van het land volledig uitgeput en de staatsschuld is tot astronomische hoogte gestegen. In essentie is het land failliet.

De Afghanen besluiten deze ernstige toestand te bespreken met een aantal andere landen zoals Irak, Iran en Somalië. Hun veiligheidsdiensten hebben zorgwekkende informatie verzameld, want Nederland is op grote schaal begonnen met het aanleggen van een glasvezelnetwerk zodat er nog meer beeldschermen aangesloten kunnen worden. De kans dat naburige landen dit voorbeeld overnemen en dat het netwerk zich als een olievlek zal uitbreiden wordt gezien als een zeer reële bedreiging voor de ontwikkelde landen. Er komt een resolutie in stemming bij de Verenigde Naties, die met grote meerderheid wordt aangenomen, en dit opent de mogelijkheid om een militaire interventiemacht te sturen naar “de dode landen” zoals de landen als Nederland in de media van de ontwikkelde landen aangeduid worden. De resolutie is scherp en duidelijk in haar bewoordingen, de beeldschermen worden aangewezen als “de oorzaak van alle problemen” en dienen “zonder enige uitzondering uit de samenlevingen van de dode landen verwijderd te worden”. Dit is in het belang van alle landen op deze planeet, want het is beter voor de mensen in de dode landen en het is beter voor de mensen in de ontwikkelde landen, omdat de regeringen van die landen bijzonder bevreesd zijn dat de doodsheid overslaat naar hun landen.

Een half jaar later rijden er zeer geavanceerde en zwaar bewapende voertuigen door de straten van Nederland. Achter het gepantserde glas van deze wagens zitten vreemd ogende mannen met lange baarden en een donkere huidskleur. Wanneer ze halt houden dan komen ze soms even naar buiten maar ze zijn onaanspreekbaar want ze spreken een onverstaanbare taal en uit hun ogen spreekt de minachting voor de bewoners van de dode landen. Robots gaan intussen van huis tot huis en doorzoeken ieder vertrek op de aanwezigheid van beeldschermen. De beeldschermen die gevonden worden, worden ter plekke verbrand of meegenomen door de robots. Mensen die hiertegen protesteren worden aangemerkt als ‘extreem doods’ en moeten mee met de soldaten voor verhoor.

De soldaten hebben het vooral gemunt op mensen die achter de aanleg van het glasvezelnetwerk zitten omdat dit netwerk door de ontwikkelde landen bestempeld is als doods van aard. Ze hebben foto’s bij zich en adressen waar deze mensen zich zouden kunnen ophouden. Soms krijgen ze één van de ‘kopstukken’ te pakken en zo iemand wordt dan het land uitgevlogen om uiteindelijk te belanden in een speciaal interneringskamp aan boord van het IJS, het International Jailstation, een ruimtestation dat op 320 kilometer hoogte om de Aarde draait en buiten ieder rechtssysteem valt. Daar kunnen ze voor onbepaalde tijd vastgehouden worden en is iedere ondervragingsmethode toegestaan. Alles dat kan helpen om het glasvezelnetwerk volledig van de aardbodem te doen verdwijnen is hier toegestaan. Regeringsleiders van de ontwikkelde landen spreken zelfs van “The war on glassfibre” en de verbindingen tussen de centrale knooppunten van het glasvezelnetwerk noemt men “de assen van het kwaad”.

Karel de Vlieger,
2013