Relativiteitstheorie basic, hoofdstuk 7: kromming

De laatste stap maken we in dit hoofdstuk en dat is dan nog maar een relatief klein stapje. Aan het oppervlak van de Aarde heerst een bepaalde zwaartekracht. Naarmate je je verder van de Aarde verwijdert wordt deze zwaartekracht minder want zwaartekracht neemt af naarmate de afstand tot het object dat de zwaartekracht genereert, in dit geval de Aarde, groter wordt. Stellen we de zwaartekracht op zeeniveau op honderd procent dan is de zwaartekracht op 32 kilometer hoogte 99 procent, op 65 kilometer hoogte 98 procent, enzovoort. Heel geleidelijk neemt de zwaartekracht af met de afstand tot het aardoppervlak.

Ruimtetijd

Nu gaan we alle voorgaande hoofdstukken samenpakken. In het vorige hoofdstuk hebben we geleerd dat zwaartekracht en versnelling gelijkwaardig zijn. Dus de omgeving van de Aarde is een gebied met afnemende zwaartekracht maar kan ook geïnterpreteerd worden als een gebied met afnemende versnelling. Twee hoofdstukken terug kwamen we tot de conclusie dat versnelling zorgt voor vervorming van tijd en afstand en in lijn met het voorgaande kan ik stellen dat de zwaartekracht dat dan ook doet. En omdat de zwaartekracht gelijkmatig afneemt naarmate de hoogte toeneemt zorgt dit voor buiging van tijd en afstand, en deze buiging noemen we kromming. Of beter gezegd: zwaartekracht zorgt voor kromming van tijd en ruimte (in plaats van het beperkte woord “afstand”). Of eigenlijk nog beter gezegd: grote objecten (zoals bijvoorbeeld een planeet) zorgen voor kromming van tijd en ruimte en dat ervaren we als zwaartekracht. Drie hoofdstukken terug zagen we dat tijd en afstand gelijk op moeten gaan in hun krimpproces om aan de voorwaarde van de constante lichtsnelheid te voldoen, en daarom brengt men die meestal samen in één woord: de ruimtetijd. Kromming van deze ruimtetijd ervaren wij als zwaartekracht.