De illusie van de angst

Ik ben bang voor honden, maar als ik in mijn geheugen graaf dan heb ik talloze ontmoetingen gehad met honden die ik beangstigend vond, of in elk geval vervelend, maar ik ben slechts één keer gebeten. Ik loop nu bijna een halve eeuw rond op Aarde en ik ben in al die tijd één keer gebeten door een hond (toen ik nog een kind was). Mijn angst voor honden is dus wel begrijpelijk, en een bepaalde mate van voorzichtigheid is niet verkeerd (hondenbezitters geven zelf ook aan dat je bij een vreemde hond even moet oppassen, die hond heeft immers ook angsten), maar mijn angst voor honden staat totaal niet in verhouding tot het gevaar, mijn angst voor honden is buiten proportie en daarom absoluut niet reëel. Een reële angst staat in proportie tot het gevaar. Onze angst om te bellen is ook nergens op gebaseerd, kent u iemand die een telefoongesprek met de dood heeft moeten bekopen? En onze diepgewortelde basisangsten, overblijfselen van ons dierlijke verleden, hebben eigenlijk geen bestaansrecht meer. Onze angst voor andere mensen bijvoorbeeld, incidenteel vermoordt een zieke geest een medemens, maar auto’s maken veel meer dodelijke slachtoffers terwijl ik niemand ken die zich ongemakkelijk voelt als hij of zij naast een auto staat. Daarentegen kennen wij allemaal wel een bepaald gevoel van ongemakkelijkheid als wij vreemde mensen ontmoeten, maar nemen probleemloos plaats in een voor ons vreemde auto. En het is voor mij heel gemakkelijk om dit soort dingen op te schrijven, want al onze angsten zijn rationeel onderuit te halen. Dat is ook wat we vaak spontaan doen bij anderen: “ach joh, het valt wel mee zo’n examen, gewoon rustig blijven”, maar bij onszelf krijgen we dat helaas niet voor elkaar.

Evolutionair gezien, vanuit onze dierlijke achtergrond, zijn al die angsten volkomen begrijpelijk, maar anno 2011, in een land als Nederland, ongegrond. Dieren zonder angst overleven niet, het dier dat te roekeloos is dient als eerste als voedsel voor een ander dier. Maar wij hoeven niet bang te zijn om verslonden te worden door andere dieren of gedood te worden door onze soortgenoten tijdens gevechten om voedsel of een partner. Wij hoeven niet bang te zijn voor andere mensen en in dit dichtbevolkte land hoeven wij ook niet bang te zijn voor verlating of eenzaamheid.

Om nog maar te zwijgen van alles wat we zelf bedenken. Bang dat ik in de file terecht kom, dat de trein niet rijdt, dat ik een lekke band krijg, dat ik te laat kom, dat de winkel al dicht is, dat ik ontslag krijg, dat de poes zwanger is, dat ik nat ga regenen, dat mijn fiets gejat word, dat er ingebroken wordt of brand uitbreekt, enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken of mijn brein bedenkt wel een probleem in de hoop dat ik bang word dat het probleem werkelijkheid gaat worden. Onze angsten zijn echt niet reëel.